Radicaal denken in de catacomben van de interactiviteit

Auteur: Wim Nijenhuis

Paul Bellow over Picasso: ‘Dat absurde beeld, met zijn takken en bladeren van metaal – geen vleugels, geen overwinning, slechts een teken, een overblijfsel – het idee van een kunstwerk, niets meer. Geheel in de lijn van die andere ideeën en overblijfselen die ons leven inspireren – geen appels meer, maar het idee, de reconstructie door een appel-oloog van wat de appel ooit eens was – geen ijsje, maar het idee, de herinnering aan een heerlijke snack die tegenwoordig gemaakt is van substituten … ’

De kunst levert zich uit aan het idee van zichzelf.
In 2004 was ik een jaar lang ‘denker in residence’. Ik resideerde in een tot atelier omgevormd winkelpand in de Hoogstraat, een vervallen historische winkelstraat in Vlaardingen. In 2005 heb ik de producten van dat jaar zoals ‘Denkzettel’, allerlei objecten, mededelingen, krantenknipsels, kaarten, video’s en in mijn opdracht vervaardigde foto-installaties en kunstwerken tentoongesteld in Gallery66East in Amsterdam. Daar stonden en hingen ze dan, de schamele, maar desondanks indrukwekkende overblijfselen van mijn ‘kunst in de openbare ruimte’ project.
Toen het project liep hadden de paginagrote slagzinnen in de krant, de beeldhouwwerken in de etalage van mijn atelier en de foto-installaties aan de muur een bijzondere meerwaarde aan betekenis die ze onttrokken aan de werkelijkheid, nauwkeuriger gezegd, aan hun ‘setting’ in de doorlopende ‘interactie’ met mijn ‘omgeving’ en/of ‘doelgroep’: de winkeliers, het winkelende publiek, de lokale pers, de politiek en lokale intellectuelen en kunstenaars. Destijds zinderde de omgeving van de sociale en de politieke spanningen die opgeladen werden door de verloedering van de straat en het niet aflatende (pers)protest tegen de lakse gemeentepolitiek, het (buurt)protest tegen de kunst en het protest van kunstenaars tegen het kunstproject.

In de galerie waren van dit ‘interactieproces’ alleen de overblijfselen te zien. Het publiek werd opgezadeld met een verzameling tweedehandse objecten, of nog erger, afval van dingen die hun werk hadden gedaan. In de galerie kreeg dit afval dankzij de instraling van betekenis vanuit de ‘context’ de kans om weder op te staan in het teken van de kunst en de beschouwer opnieuw in hun wereld te betrekken.
Door overblijfselen tentoon te stellen die hun nut of zin in een vorig leven al hadden opgebrand, voelde ik mij een volgeling van Marcel Duchamp. In 1917 keerde hij een urinoir om en zette het in het museum. Als ‘denker in residence’ had ik me overigens al laten inspireren door Jean Tinguely en zijn ironische machines van het eerbetoon die zaken ophemelden terwijl ze zich zelf vernietigden. Ik was gefascineerd door zijn kinetische installatie Hommage aan New York, die eindigde in een gigantische berg van schuim, plastic, papier, verwrongen staal en naschuddende machineonderdelen.

Misschien mag ik mijn tentoonstelling in alle bescheidenheid en met al zijn inactualiteit ook situeren in het voetspoor van Andy Warhol die met zijn Campbell’s Soup Can het object van de waar waardeloos maakte en het vervolgens met inbegrip van zijn reclameteken ironisch heiligde door het over te hevelen naar het domein van de kunst. De metamorfose van nuttig ding in overblijfsel en de overheveling van de ene ruimte naar de andere, van het ene instituut naar het andere en überhaupt de herhaling ervan veroorzaken de nodige compliceringen van zin en betekenis.

‘Betekenis is afhankelijk van een context en de grenzen van een context werken mee aan de betekenis’, zegt Connie Palmen (NRC 2007) en ze voegt er aan toe: ‘dubbelzinnigheid is conform de natuur van het kwaad’.
In Vlaardingen was het destijds onduidelijk of mijn activiteiten kunst waren, of ruimtelijke ordening, maar de zin ervan (lees nut) was redelijk helder.
In de galerie ging het later duidelijk om kunst, maar de zin ervan (lees nut) was behoorlijk duister.
De complicatie van de zin tot op de rand van het zinloze, of de opvoering van de dubbelzinnigheid tot op de rand van het onbegrijpelijke maakt echter juist de waarde van het kunstwerk uit.
Raadselachtig is daarom zijn pact met de beschouwer en de liefhebber; met hen die zo graag circuleren in het circuit van de kunst.

Van Baudelaire weten we dat de kunst niet steunt op een natuurlijke noodzaak maar op het kunstwerk als een uitgekiende kunstmatigheid. Kunst wordt kunstbedrijf. Status en legitimiteit van de kunst kunnen daarom steeds weer ter discussie worden gesteld. Dit vindt echter nauwelijks plaats omdat het kunstbedrijf omgeven is met een welhaast onaantastbaar aura waarvan de kracht toeneemt naarmate de kunst nuttelozer is. Een uitzondering vormen die regionen waar men stiekem twijfelt aan de waarde van de kunst en haar wil resocialiseren. Daartoe dost men het kunstbedrijf uit met het gladgestreken gelaat van de maatschappelijke dienstbaarheid. Afgezien van dat geldt echter verder overal de onaantastbaarheid van de kunst die des te opvallender is naarmate aan het daglicht komt dat ze zich nauwelijks weet te onderscheiden van de reclame en andere varianten van de waar, waarmee ze de uitgekiende kunstmatigheid en de impuls van de markt deelt.

De kunst levert zich uit aan het idee van de kunst en redt daarmee zichzelf.
Het idee van de kunst wordt in essentie bepaald door alles wat de kunstwereld schrijft en zegt over de kunstwereld. Dit bezig zijn met zichzelf betreft ook de scheppende kunst die zichzelf verdubbelt met het teken van zijn eigen operatie. Het waarachtige object van de schilder is niet wat hij schildert, maar het feit dát hij schildert en tenslotte schildert hij het feit dat hij schildert. Dit is de manier waarop de kunst zichzelf redt met het idee van zichzelf. Met de readymades van Duchamp en de objets trouvés van Cobra is het niet anders. Ze maken duidelijk dat er geen kunstobject meer is, alleen nog maar het idee van het kunstobject.

Analoog daaraan opereerde ik als ‘denker in residence’ niet als denker. Door mijn positie werd ik een denker die genoodzaakt was zich te voegen onder het teken van de kunst en het duurde niet lang of ik dacht na over het feit dat ik een denker was in het teken van een kunst die niets anders was dan het abstracte en institutionele teken van zichzelf.
Het idee van de kunst verlangt dat de kunstenaar zich overgeeft aan oefeningen in mentale dapperheid. Het gaat om niets meer of minder dan een nieuwe heroïek. Niet de objecten van de kunst, maar haar waarden (daarbij inbegrepen de zorg om het idee van de waarde binnen de kunsten) hebben het kunstbedrijf op het idee gebracht om zichzelf als een bijzonder domein af te zonderen en vervolgens anderen, de ‘omgeving’, uit te nodigen om zich daar bij hem te voegen, of minstens met hem te communiceren.

Dit is het grondschema van de interactieve kunst.

De ‘kunst in de openbare ruimte’ bekommert zich vervolgens om de waarden van de vrijheid (Jeanne van Heeswijk) en de onbestemdheid (Jeroen Boomgaard). Enerzijds maken deze waarden deel uit van een kunstbedrijf dat zich genoodzaakt ziet tot zelfpromotie en reclame en daarom ook de kritiek en het negatieve commentaar absorbeert als een promotiemiddel. De techniek van de interactiviteit dient om deze waarden te delen, te ruilen en te verspreiden onder een publiek en tegelijkertijd dit publiek te binden aan de verschillende domeinen van het kunstbedrijf. Anderzijds leeft dit kunstdomein op zijn beurt weer van de (kritische) verwachting een ongeval, een onderbreking, of een opening te kunnen produceren in de ogenschijnlijk oppermachtige processen en het onaantastbare verloop van de dingen in de werkelijkheid.

Kritische aanslagen op het instituut van de kunst en het kunstbedrijf, zoals het lanceren van de hypothese dat ze afval en waardeloosheden omzetten in waarden, zullen hoogstwaarschijnlijk zonder consequenties blijven. Ook de hypothese dat we tegenwoordig kunstvormen adoreren waarin waarde wordt gegenereerd zonder dat er sprake is van verdienste (Bij BIG BROTHER verlenen banale presentie, of het presenteren van banaliteiten roem en rijkdom aan ‘five minute stars’ die geen enkele verdienste hebben; Paris Hilton slaat geld uit zinloze aanwezigheid en Oprah Winfrey verdient zelfs als ze slaapt nog steeds 1000 dollar per minuut) zullen geen indruk maken. Kritische aanslagen op het instituut van de kunst en het kunstbedrijf, hoe hard en geslepen dan ook, worden moeiteloos geabsorbeerd als producenten van waarde. Het gaat er namelijk niet om wat men zegt over de kunst, maar dat er überhaupt wat over wordt gezegd. De doorslaggevende factor voor de waardebepaling van een uitspraak is de publieke aandacht die het krijgt.
Daarmee wordt de kunst onverbiddelijk onderworpen aan de regels van de reclame (Marc Primlott).
Daarom is de motor van de kunst de roem, of abstracter geformuleerd: ‘het primaat van de zichtbaarheid’ (Camiel van Winkel). Daarna komt als vanzelf … het geld.

Door dit mechanisme komen de kunsttheoretische legitimatie en het kunsthistorische begrip van de kunst aan de zijlijn te staan. Vanaf de negentiende eeuw speelde de kunstgeschiedenis een belangrijke rol door de kunst te voorzien van energie. Eerst verschafte ze die met de profetie van Utopia, daarna met de gedachte van de anticipatie op de (historische) gebeurtenis, vervolgens voedde ze de kunst met de energie van het postmoderne afscheid van de geschiedenis en tenslotte verschafte ze energetische spanning met het idee de kunst te fuseren met de werkelijkheid.
De godfathers van de kunstgeschiedenis zoals Hegel en later Marx voorzagen het einde van de kunst omdat deze na haar werk te hebben gedaan zou opgaan in het leven zelf. Intussen weten we dat dit niet is gebeurd. In plaats daarvan hebben we de algemene esthetisering van het bestaan gekregen, de Disneyficatie. Op de een of andere manier is de kunst aan haar bestemming voorbij gegaan. Aan gene zijde van dit punt raast ze – voortaan als kunstbedrijf – voort door een lege tijd die geen bestemming kent.

Toen ik in maart 2004 aan de politiek en de ambtenarij van Vlaardingen vroeg wat ze van mij verwachtten als ‘denker in residence’ in een situatie waarin een verwarrende menging van kunst en ruimtelijke ordening was voorzien, kwamen de volgende thema’s naar voren:
- alleen al de aanwezigheid van de kunstenaar zou een economische stimulans betekenen voor de winkelstraat in verval
- serendipiteit; je weet nooit wat er uit komt
- het peilen van de ‘gevoelens van de doelgroep’
- behoud en vorming van de gemeenschap
- het trekken en vasthouden van de publieke aandacht

Kunst als economische stimulans is de kerngedachte van de creatieve stad. In The rise of the creative class (2002) stelt Richard Florida dat alleen al de aanwezigheid van een zogenaamde creatieve klasse de economie van een stadsdeel kan bevorderen. Het grote voorbeeld is de wijk Soho in New York. In Loft living (1982) beschrijft de sociologe Sharon Zukin hoe deze met de ondergang bedreigde wijk vol met werkplaatsen dankzij de spontane instroom van kunstenaars veranderde in een trendy wijk met winkels en galeries. Deze gentryfication veroorzaakte een enorme stijging van de huren en de grondprijzen, waardoor er zich geen kunstenaar meer kan vestigen. Hetzelfde effect, maar bemiddeld door een golf van cultuurtoerisme, had het Guggenheimmuseum in Bilbao. Florida concludeert uit deze trends dat creativiteit het kapitaal van de toekomst is. De creatieve stad is intussen een hype geworden. Overal in Nederland zijn de gemeenten aan het uitrekenen hoe ze de creatieve industrie binnen hun grenzen te gelde kunnen maken, hoe ze nieuwe creatieve industrie kunnen aantrekken en hoe ze zich in hun City Marketing met hun creatieve industrie kunnen profileren. Voor de goede orde, creatieve industrie is meer dan kunst, media- en entertainmentbedrijven horen er ook bij. In de creatieve stad zullen ‘face to face’ contacten een ‘netwerk’ vormen dat kunst zal kneden tot ‘vormgeving’. Vormgeving wordt de belangrijkste producent van toegevoegde economische waarde omdat ze van grote betekenis is voor productontwikkeling en marketing. (NRC-18 februari 2005: Tracy Metz, Creativiteit is geld waard, terwijl de economie cultureel wordt, wordt de cultuur commercieel).

Bij de waarderingen van de politici en ambtenaren van de gemeente Vlaardingen speelde op de achtergrond het thema mee van de interactiviteit en de marketing. Interactiviteit en marketing beheersen al geruime tijd de informatie, de vrije handel en de wereldmarkt. Tegenwoordig veroveren ze ook de kunst en de politiek. Ze zijn de logische consequentie van het geloof in de communicatie die een algemene dwang tot interconnectie, tot contact van alles met alles, oplegt.

Voor de marketingstrategie van de moderne onderneming blijkt interactiviteit, of ze nu ‘live’ is, of ‘elektronisch’, van belang te zijn om de volgende reden:

.Ze dient de promotie van een product
.Ze verschaft informatie over wat de ‘klanten’ willen
.Ze maakt ‘tracking’ mogelijk, d.w.z. het opsporen van veranderingen binnen een doelgroep door deze continu te ‘monitoren’.

Tracking is de nieuwe techniek die door de interactiviteit aan de reeds bestaande technieken van de promotie van een product en het vergaren van informatie wordt toegevoegd. Door de nieuwe mogelijkheid om de doelgroep ononderbroken in de gaten te houden wordt het accent verschoven van de momentopname waarin gemeten wordt wat de doelgroep wenst, naar het meten van de veranderingen die optreden binnen het hele scala van haar kennis, haar houding en haar gedrag. Bij tijd en wijle stelt de onderneming zichzelf de vraag op welke wijze ze haar marketingstrategie of haar marketingcommunicatie door deze informatie zal laten beïnvloeden. Bovendien biedt de techniek van de interactiviteit het voordeel dat ze niet alleen in staat is om aandacht te trekken, maar ook om deze gedurende langere tijd vast te houden. Interactiviteit verschaft een onderneming de sleutel tot het economische goed van het prominente.

In haar paper De geschiedenis van de interface in de interactieve kunst (1994) schrijft Söke Dinkla dat interactieve kunst afstamt van de op participatie gerichte kunst van de jaren zestig. Ze noemt de happening, de kinetische omgevingen en het construeren van situaties. De Franse filosoof en architect Paul Virilio beschrijft in het interviewboekje Crepuscular Dawn (2002) hoe hij in de jaren zestig bezig is geweest met schuine valvlakken en draaiende tonnen. We kunnen ook denken aan het deurenlabyrint van Constant (1972).
Net als de participatiekunst wil de interactieve kunst de toeschouwer aan de actie laten deelnemen. Ze maakt daarbij echter wel de overstap van het fysieke handelen zoals dat aan de orde was in de happening, de situaties en de kinetische omgevingen, naar het mentale proces. Bij één van de eerste installaties van interactieve kunst, The legible City van Jeffrey Shaw uit 1988, beweegt de toeschouwer niet meer door een ruimte, maar bevindt hij zich op een vaste plaats voor een bewegend beeld, in dit geval het beeld van een stad die is opgebouwd uit letters. De beweging van het beeld wordt gestuurd door minimale bewegingen van de toeschouwer. Zo bouwt Shaw een conflict op tussen een ‘passieve’ perceptie en een ‘actief’ door techniek en toeschouwer voortgebracht beeld. Als interface gebruikt hij een fiets. De uitnodiging om deel te nemen moet komen van bekend gedrag.

De participatiekunst in de jaren zestig was een aanval, een aanval op het geïnstitutionaliseerde kunstpubliek dat vervreemd zou zijn van zijn verlangens en veroordeeld tot passiviteit.
De interactieve kunst van vandaag is een uitnodiging, een uitnodiging aan een publiek dat geconditioneerd is en opgejut wordt door de media, de computer en het internet.
Interactieve kunst wordt bedreven door kunstenaars met een nieuw engagement die niet meer in staat zijn zich te laven aan het postmoderne spel met het einde van de geschiedenis. Ze kunnen niet meer opbrengen om als commentator buiten de maatschappij staan, maar willen juist deelnemen aan de sociale en technologische veranderingen van tegenwoordig. Ze willen deze veranderingen van binnenuit beoordelen. Kortgezegd: ze eisen een rol op als actor en infiltrant binnen de werkelijkheid, d.w.z. binnen de operaties van de hedendaagse controlemaatschappij. In ‘De kunst heeft noodzaak’ (NRC-Handelsblad, 10 september 2004) richt Anna Tilroe, woordvoerster van de nieuwe trend, haar pijlen op de autonomie en de theorie van de kunst ten faveure van een werkelijkheid. Zij wil afrekenen met het hogere. In de twintigste eeuw zou de kunst haar autonomie gebruikt hebben om zichzelf te mystificeren. Dit was aanvankelijk een correcte reactie op de rationalisering in de maatschappij en het overdreven geloof in de wetenschap. Volgens Tilroe is deze strategie ontspoord door haar context. Een ‘fatale combinatie van theorie, museum en markt’ gaf ruim baan aan talrijke stromingen en schiep een ‘klimaat van sensatie en commercie’. Zelfs notoire tegenstanders van dit mechanisme, zoals Joseph Beuys, vielen er aan ten prooi. De kunst schermde zich hiertegen af met een theorie die haar autonomie benadrukte. De theorie verhief de kunst tot iets onaanraakbaars, iets ondoorgrondelijks, alleen verstaanbaar voor ingewijden, alleen op haar plaats in het museum en, ik citeer: ‘geschikt voor het grote geld en de speculanten’. De ‘kunstenaars van het nieuwe engagement’ denken de veren van het ‘hogere’ te kunnen afschudden door zich in te voegen in de werkelijkheid. Tilroe: “Ze onderzoeken de werkelijkheid van die samenleving (…), omdat hun idee van werkelijkheid iets is, wat niet in feiten en getallen te vatten valt. Werkelijkheid is interpretatie. En als kunstenaar willen ze weten hoe we haar interpreteren, welke denkkaders we daarbij bezigen en hoe die doorbroken kunnen worden.”

De nieuwe kunstenaars van de werkelijkheid werken vaak samen met architecten, wetenschappers, denkers, theatermakers of gewoon mensen uit de buurt. Tilroe noemt de D-toren van QS Serafijn als voorbeeld. De 12 meter hoge toren heeft de vorm van een omgekeerd hart en kan verschillende kleuren aannemen. Hij wordt daarbij aangestuurd door 50 mensen in de stad die frequent op een terminal intikken hoe ze zich op dat moment voelen. Tilroe waardeert dit project omdat het zijn gezicht naar de samenleving keert: “Daar peilt het emoties en legt het witte plekken en dubbelzinnigheden bloot, laat het waarheden wankelen (…).“ Bij een lezing van Serafijn bleek echter dat de ingevoerde data niet de werkelijke situatie weergeven omdat de deelnemers hun inbreng om allerlei redenen calculeren. Serafijn vond dat zijn project ook heel goed opgevat kon worden als een parodie van de peilingtechnieken van het welzijnswerk zoals die vanaf de jaren zeventig ontwikkeld zijn.
De behoefte om het gezicht naar de werkelijkheid te keren en contact met de samenleving te maken, deze ‘passie voor de werkelijkheid’ (Alain Badiou) heeft de interactieve kunst geërfd van de avant-gardebewegingen in de twintigste eeuw, zoals de Surrealisten, Cobra, Fluxus en de Internationale Situationisten. Het is frappant hoe snel het trefwoord ‘interactieve kunst’ ons voert naar sites waar situationisten als Guy Debord en Constant de meest genoemde namen zijn.

‘Al wat direct werd geleefd heeft zich in een voorstelling verwijderd.’ ‘Het spektakel is het kapitaal dat in zo’n mate geaccumuleerd is, dat het beeld wordt.’ Alle dingen, alle ruimten, alle facetten van het dagelijkse leven, alle verhoudingen tussen de mensen, worden gecorrumpeerd door een ‘praxis die zich gesplitst heeft in werkelijkheid en beeld’. De terugwerking van het zelfstandig geworden spektakel (‘de autonome beweging van het niet levende’) maakt het leven ‘inauthentiek’ en ‘vervreemdt’ het levende lichaam van zijn verlangens. (Guy Debord, De spektakelmaatschappij, 1972)

In de jaren na de Tweede Wereldoorlog werd de bevolking overspoeld met materiele tekens die hen omturnden tot een volgzame massa van consumenten. Integratie en scheiding waren de kenmerken van de nieuwe spektakelmaatschappij. Integratie omdat het spektakel sociale relaties homogeniseerde door beelden in roulatie te brengen die iedere directe ervaring van het leven verhinderden; scheiding, omdat alles wat het kapitaal mogelijk maakte met technische uitvindingen en rechtvaardigde in naam van de vooruitgang – auto, televisie, vakanties etc. – de condities van de scheiding zou versterken.

‘De informatici hebben de strijd aangebonden tegen iedere vorm van ‘overtollige vrijheid’ door eenvoudigweg bevelen over te dragen. (…)’ (Debord 1963). Het spektakel was niet alleen het belangrijkste kenmerk van de maatschappij, maar ook haar belangrijkste instrument. Het was een actieve kracht die ‘echte’ dialoog en ‘echte’ participatie verhinderde. Daartegenover zochten de Situationisten het ‘authentieke en geïntegreerde’ leven en experimenteerden ze met vormen van soevereine respons. Ze wilden de greep van het spektakel op het individu losser te maken en hem zo speelruimte geven tegenover de (in) werking van de waar (de informatie).

In zijn theorie van het ronddolen (de dérive) noemt Debord de ervaring van de stadswijk. Daarbij spelen de ‘voorstelling die haar bewoners en die van andere wijken van haar hebben’ een belangrijke rol. Het ronddolen dient hoofdzakelijk om een mentaal effect te bewerkstelligen; tegen de overgeleverde voorstelling in wordt er een eigen mentaal beeld gevormd. Aan de hand van concrete ruimtelijke ervaringen die zich onttrekken aan de bepalingen van het economische nut maakt het ronddolen nieuwe interpretaties van die omgeving mogelijk. Met haar project de Strip in Vlaardingen claimt onze grootmeesteres van de interactiviteit, Jeanne van Heeswijk, overigens zonder het ronddolen te noemen als methode, dat zij dergelijke herinterpretaties nastreeft. Pedagogie is hier echter eigen aan de daad. De bevolking leren om hun omgeving anders te zien, was ook een programmapunt in mijn project als ‘denker in residence’ in Vlaardingen, … dat ik niet heb kunnen vermijden.

In zijn Verhandeling over het konstrueren van situaties noteert Debord:
‘De konstruktie van situaties begint daar waar de hedendaagse ineenstorting van het begrip spektakel eindigt. Het valt niet moeilijk vast te stellen op welk punt het spektakelprincipe verbonden is met de vervreemding in de oude wereld: de niet-interventie. Omgekeerd kunnen we ook zien hoe met de meest waardevolle revolutionaire, culturele experimenten geprobeerd is de psychologische identificering van de toeschouwer met de helden te doorbreken en deze toeschouwer tot aktiviteit aan te sporen … De situatie is zo ingericht dat zij door de scheppers ervan ervaren kan worden. Dan zal de rol van het weliswaar niet passieve maar toch wel min of meer figurerende ‘publiek’ verder afnemen, terwijl de deelname van degenen die weliswaar geen acteurs genoemd kunnen worden maar in een nieuwe betekenis van het woord ‘belevers’, zal toenemen.’ (onderstreping door mij, Wim Nijenhuis)

Een situatie bestaat uit handelingen die verbonden zijn met het vormgeven van een moment. Vormgevende handelingen produceren andere vormen van inrichting waaruit weer andere handelingen (en vormgevingen) voortvloeien. Een situatie is een soort voorlopige werkvloer waar verlangens alle ruimte krijgen. Een situatie is altijd vluchtig en tijdelijk, altijd een collectieve activiteit: ‘Een situatie is een soort theatrale poëzie, poëzie op het niveau van het handelen …’ (onderstreping door mij, Wim Nijenhuis)

Wanneer we voorbijgaan aan de politieke aspecten van hun retoriek was het ‘functionalistische design’ in al haar facetten de tegenstander van de Situationisten. Het ‘design’ dat alle betekenissen wil vastpinnen op de functionele zin van de vormen, ook die van de woorden en de zinnen, ook die van de groepen en de ruimten, liet geen ruimte voor de spelende mens met zijn eindeloze herinterpretaties. Volgens de Situationisten ontwikkelde het design zich tot een soort politie van gedrag en betekenis waartegenover zij niets minder plaatsten dan ‘eigen en soevereine poëzie’.

In situaties verslapt de houdgreep van de ‘schijn’ en wordt lucht gegeven aan de vrije woeker van het verlangen in en poëtisch soevereine orde van spel, gedrag en betekenisverlening. De zin om door te breken tot de werkelijkheid van de ‘authentieke verlangens’ lag voor de Situationisten in het vlot trekken van de ‘onbeweeglijk geworden geschiedenis’, in het mogelijk maken van een historische gebeurtenis, een breuk, een plotseling optreden van de massa’s, een revolutie….. Ze droomden van het optreden van een historische en collectieve subjectiviteit die in staat was zich te meten met het monster van de wereldgeschiedenis.
Hun hedendaagse volgelingen, de interactionisten en geëngageerden met de werkelijkheid die de geschiedenis hebben afgeschaft zullen het moeten stellen zonder de kracht en de energie die toen uitging van de bestemming.

Zijn de interactieve projecten en de experimenten met artists in residence pogingen om onder de condities van vandaag opnieuw situaties te creëren? Kan het ‘onbestemde’ als de laatste productiekracht van de autonome kunst ruimte scheppen voor het ‘poëtische’ in een situatie waarin de betekenis van de dingen, de ruimte en het gedrag volkomen is vastgelegd?
Hier beginnen de vragen: kunnen er in ons mediatijdperk, waarin alle gebeurtenissen stand te pede beroofd worden van hun processuele openheid en opgesloten worden in hun beeld, nog wel ‘situaties’ zijn? Kunnen er nog wel gebeurtenissen worden uitgelokt in ons tijdperk, waarin de historische en ook de chronologische tijd belaagd worden door de uitvinding van de real-time? Is de tegenstander die ons veroordeelt tot passiviteit nog wel een ‘design’? Is de passiviteit nog wel gelegen in het passieve?
Een voorbeeld:
Een jogger zit thuis op zijn hometrainer te trainen en kijkt bezweet naar de zichtbare resultaten van zijn inspanningen op een monitor.
In een notendop zien we hoe de technisch bemiddelde feedback in onze real-time maatschappij werkt. De jogger die naar zichzelf kijkt, ervaart zichzelf in de dubbelfiguur van actief mens en gesloten herinneringsbeeld, dat iedere eenduidige toegang tot de werkelijkheid definitief verhindert.

Hoe gaat de markt om met interactiviteit? Zij gebruikt haar voor een Economie van de Aandacht. (Kunstforum International 148, Resource Aufmerksamkeit, december 1999/januari 2000)
De band tussen interactiviteit en aandacht is onverbiddelijk: aandacht is de voorwaarde en het effect van iedere interactiviteit. In onze informatiemaatschappij is aandacht het schaarse goed. Het prominente is de opheffing van die schaarste door accumulatie: prominentie is geaccumuleerde aandacht. Het prominente is het object van een concurrentiestrijd tussen verschillende media in onze samenleving. Stadspolitiek, stadsdeelraden, internet, televisie, kunstuitingen, manifestaties van stedenbouw en architectuur, gebouwen, maar ook het gedrukte en gesproken woord, alle werven om de aandacht van een consument die niet zozeer verstrooid als wel verzadigd en overprikkeld is.

De industriële maatschappij maakte producten. Producten hadden een structuur die samengesteld was uit functie, materiaal en vorm. Hierdoor kon de aan de producten vastgebakken warenvorm niet sluitend gemaakt worden tot een identiteit. De informatiemaatschappij maakt ook producten. Het informatieproduct heeft de structuur van een esthetisch gevormd oppervlak. Zijn tweedimensionaliteit is helemaal toegerust op zijn waarneembaarheid. In tegenstelling tot ‘signalen’ en ‘computercodes’ leent het esthetische oppervlak van de informatie zich juist wel voor een sluitende identiteit.
De economie van de aandacht dwingt af dat informatie bewust wordt vormgegeven met het oog op haar zichtbaarheid en haar leesbaarheid wil ze überhaupt waargenomen worden. Omdat het belang van de esthetiek bij het vormgeven van de informatie toeneemt, raakt de arbeidsdeling tussen kunst en werkelijkheid zoals die nog aan de orde was in het industriële tijdperk, in diskrediet.

Tegenwoordig kunnen we niet meer met goed recht zeggen dat informatie aan de kant staat van de werkelijkheid en kunst aan de kant van de illusie. De informatie heeft zo’n vlucht genomen dat het lijkt of dankzij haar de kunst haar oude ketens van de schijn heeft afgeschud, haar band met het museum heeft verbroken en er in geslaagd is de werkelijke wereld van het dagelijkse leven en de gebruiksvoorwerpen in haar praktijken te integreren.

Dit laat zich ook omgekeerd formuleren:
De wereld van alledag, van de waren, de markt, de openbaarheid, zelfs die van de opleiding en de arbeid werd met de opkomst van de technische beeldmedia, de communicatietechnieken en de elektronische massamedia ogenblikkelijk geësthetiseerd. Daarmee verloor de kunst haar exclusieve rol als producent van aandachttrekkende waarneembaarheden. Sindsdien concurreert de vormgegeven wereld van alledag met de kunst die enerzijds wordt opgesloten in haar eigen instituties, zoals het museum, de galerie, de markt en de kritiek, terwijl diezelfde kunst anderzijds gedwongen wordt om steeds weer nieuwe strategieën te ontwikkelen om aandacht te trekken en existentiële waarachtigheid te bereiken.

Wat de kunst ook onderneemt, wat wie dan ook onderneemt op het terrein van de informatie, het trekken en enige tijd
binden van de aandacht van het publiek is het oog van de naald waar alles wat waargenomen wil worden doorheen moet. Wat er niet doorheen komt bestaat niet. Deze regel geldt voor de koopwaar, de gebeurtenis, de politiek, de wetenschap en … de kunst. De Europese traditie heeft de vaardigheid om aandacht te ensceneren toebedeeld aan de ‘slechte’ wereld van de schijn, waartegenover de ‘goede’ wereld stond van diepe contemplatie en reflectie. Om die reden werd in de wereld van de propaganda, de mode en tenslotte de reclame wel nagedacht over het trekken van aandacht en in de wereld van de kunst, de theorie en de kritiek niet.

Hoe werkt de economie van de aandacht? Volgens de theorieën van Simmel, Freud en Benjamin die informatie definieerden als een projectiel dat afgeschoten wordt op de beschouwer, wordt de aandacht getrokken met aanbiedingen die met een shock uit hun omgeving tevoorschijn komen. Denk aan afwijkingen of verstoringen van de gewone gang van zaken. De aanbiedingen moeten waargenomen kunnen worden door een vluchtige blik die ook nog met iets anders bezig is. De shock zelf is primair een aandachtschenkende reactie op een gebeurtenis. Zijn intensiteit kan zo hoog zijn dat hij verlamt of in paniek brengt. Deze regel van de aanbieding en de shock is ook de doorslaggevende regel van de mode.

Bij de shock hoort een klein oncontroleerbaar ogenblik van stilstand: de ban, of de fascinatie. De shock is niet alleen verstarring, maar ook aantrekking, ze spreekt iets aan … ergens … in ons. De aandachtschenkende shock komt overeen met onwillekeurige aandacht of een oriëntatiereactie. Zij is de voorloper van de willekeurige, of gerichte aandacht die kan worden gestuurd en vastgehouden door processen van interactie bijvoorbeeld. Zo niet dan wordt de oriënterende aandacht bij herhaald aanbod van hetzelfde snel tenietgedaan door de gewenning.

De volgende stap om aandacht te accumuleren is dan de productie van het prominente. Het prominente is geaccumuleerde aandacht en is resistent tegen herhaling. Net als de shock komt het prominente naar voren vanuit het vertrouwde en het gewone. Het is er echter niet uit op om te fascineren, maar om oriëntatie aan te bieden in een onoverzichtelijk veld vol opties. Terwijl de shock altijd de enkeling treft, kan het prominente veel mensen aan zich binden. De fans van televisieprominenten zijn daarvan het duidelijkste voorbeeld. Het prominente trekt aanvankelijk de aandacht door ‘op te vallen’. Is de aandacht getrokken en geaccumuleerd, dan wordt het prominente de prominent: een sociaal fenomeen dat een zekere druk tot aanpassing uitoefent en een zekere mate van sociale samenhang afdwingt. Hier functioneren niet alleen ‘opvallen’, ‘nieuwigheid’ en ‘verandering’, maar ook de herhaling van hetzelfde tot aan de imitatie toe.

‘De werkelijkheid is een hallucinatie die wij gemeenschappelijk opwekken. In de aandachtsruimte van ons fantasielandschap bezetten de groten en de machtigen een oneigenlijk groot aandeel.’ (Howard Bloom)

Aan de keerzijde van de economie van de aandacht en het prominente als haar typische warenvorm verdwijnt alles wat niet prominent is uit de waarneming en wordt overgelaten aan de vierde wereld van de vergetelheid. En let op, de vierde wereld groeit sneller dan de derde.

Vanuit de vierde wereld komt het soevereine antwoord op de economie van de aandacht in de vorm van graffiti, vandalisme, gijzelingen, migratie en …

Kortgeleden zag ik op televisie hoe een griezelfilm verklaard werd met de volgende uitspraak: ‘In de wereld van de marketing is alleen de voorstelling werkelijk, d.w.z. wat zich afspeelt in de hoofden van de mensen. De rest is illusie.’
Tegenover de moord op de werkelijkheid door de interactiviteit en de cybernetische marketingtechnieken staathet radicale denken.

Het radicale denken zoekt geen relatie met de werkelijkheid.

Het radicale denken werpt geeneens een blik op de werkelijkheid.

Het radicale denken stelt zich op aan de kant van de hallucinatie.

Het radicale denken streeft naar een poëtische gebeurtenis in de wereld van het denken zelf.

Het radicale denken denkt dat een gebeurtenis in het denken gepaard gaat met een gebeurtenis in de werkelijkheid.

Het radicale denken gaat voorbij aan de dwang tot identiteit, voorbij aan de regel van de informatie. Losgeslagen van hetzelfde kan een radicale gedachte ons direct en aan deze zijde van de uitbeelding raken op het niveau van de intuïtie. Daar kan ze ons verrassen en helpen de weg te vinden naar de constructie van ons eigen mentale beeld. Men zegt dat de toename van de gevoelloosheid en de ontmenselijking van de mens te wijten is aan de afwezigheid van mentale beelden (de afwezigheid van de ziel).
‘Hoewel het zaak is onze lichtgelovigheid in te ruilen voor een diep wantrouwen, betekent mijn pleidooi voor het einde van de vroomheid niet het einde van de sympathie. Tot de dag van vandaag heb ik de Hoogstraat, die zo te lijden heeft gehad onder de verminkingen van de moderniteit, diep in mijn hart gedragen met een oneindig medelijden.’

Als de producten tot je spreken…

Auteur: Koert van Mensvoort

Op het moment dat je een bos plant, is natuur cultuur geworden. En op het moment dat je wekkerradio uit eigen beweging met je Senseo communiceert, is cultuur natuur geworden. Nieuwe technologie gaat ons begrip van natuur ingrijpend veranderen, voorspelt kunstenaar en onderzoeker Koert van Mensvoort.

Allereerst wil ik een persoonlijke bekentenis doen: ik kan niet inparkeren. Overal zie ik auto‘s moeiteloos parkeervakken inglijden. Het lijkt zo simpel, zelfs analfabeten kunnen het! Maar mij lukt het nauwelijks om mijn auto zonder horten, stoten en bumperbotsen in het parkeervak achter te laten. Voor u verder leest, beseft u dat deze tekst geschreven is door iemand die niet kan inparkeren. Doorlezen op eigen risico.

Verlengstuk
Als we mensen vragen wat ze onder media verstaan is dit de top drie: internet, televisie, telefoon. Voor iemand die niet kan inparkeren ligt het ingewikkelder. Mijn definitie is breder: media is alle technologie die functioneert als verlengstuk van ons menselijk lichaam. Onze zintuigen, ledematen en organen groeien door in de media die we gebruiken. Televisie als verlengstuk van je ogen, een jas als verlengstuk van je huid, de auto als verlengstuk van je benen. Ik ben een slechte inparkeerder, omdat ik mij te bewust ben van de auto als medium. Ik bestuur mijn auto met de mindset van een wandelaar, dat werkt niet. Mensen die wel goed kunnen inparkeren, ervaren hun auto als onderdeel van hun lichaam. Dat is het verschil. Als twee auto’s op elkaar botsen is de kans groot dat de bestuurder van de getroffen auto zal uitroepen: “He! Je hebt me geraakt!” in plaats van “jij raakte mijn auto.” Of om precies te zijn “jouw auto raakte mijn auto.” De auto absorbeert onze identiteit; wat het voertuig voelt, voelen we zelf.
Een ander voorbeeld is de mobiele telefoon. Vijftien jaar geleden had niemand een GSM, vandaag iedereen. Wanneer je per ongeluk je huis verlaat zonder je telefoon heb je het gevoel dat je iets mist. Alsof je geamputeerd bent, alsof een lichaamsdeel thuis op tafel hebt laten liggen. Je loopt gauw even terug naar huis om dat vergeten lichaamsdeel, de telefoon, op te halen. Naar het schijnt, zijn er mensen die hun mobiel in hun graf willen meenemen. Dat verbaast me niet. Wat me wel verbaast is de naïviteit waarmee mensen over media praten. Het gebrekkige media besef.
Als mensen over ‘media’ spreken, hebben ze het meestal over de media die nog niet bestonden in de tijd van hun grootmoeder. Met andere woorden, we spreken vooral over media als we ons het ontstaan bewust zijn. Deze nieuwe media zitten nog in ons voorhoofd; we zijn nog niet gewend aan hun aanwezigheid, we houden ons er bewust mee bezig. Met de oude media zijn we vertrouwd en gelukkig ook maar! Het zou bijzonder onhandig zijn als ik iedere keer wanneer ik een boodschappenlijstje schrijf, mijn schoenen aantrek of een lichtknop indruk me bewust moet zijn van mijn mediagebruik. Pas wanneer we als zodanig over ‘media’ reflecteren, beseffen we dat ze van alle tijden zijn. Al eeuwen leven we in een virtuele realiteit, die we ook wel met het woord ‘cultuur’ aanduiden. We proberen onze omgeving te controleren met media. Het dak boven je hoofd, elektrische verlichting, afwasmachine, centrale verwarming.

Gebukt onder de technologie
We leven in een mediatijdperk, dat is niets nieuws. Maar het is wel een mediatijdperk met ongelooflijk veel slecht ontworpen media. Dagelijks bewegen miljoenen mensen een muispijltje op een computerscherm. We wijzen naar icoontjes en knopjes. We klikken er op. We tikken letters op een zogenaamd ‘toetsenbord’ – waarvan de tekens zo zijn geordend, dat de kans dat de hamertjes van de typemachine elkaar raken minimaal is. Waarschijnlijk zullen de geschiedkundigen van de toekomst het informatietijdperk en het industriële tijdperk op één hoop vegen als de tijd waarin de mens gebukt ging onder zijn technologie. Let’s face it: de ‘moderne’ kenniswerker is de lopendebandmedewerker van onze tijd. Ik mag hopen dat we over honderd jaar smakelijk kunnen lachen over deze absurde situatie waarin we de hele dag gebukt naar een beeldscherm zitten te staren. Gelukkig wordt er hard gewerkt aan een einde aan deze situatie.
Het idee om de gehele wereld in de computer te brengen, waarin de mens zichzelf mag uploaden, wordt geleidelijk verlaten. Momenteel introduceert men de computer in de fysieke wereld. De meest zichtbare (en tevens meest fantasieloze) uitwas is de ongebreidelde verspreiding van computerschermen in kantines, supermarkten, treinstations. De openbare ruimte wordt er mee vol gehangen. Volgens officiële Arbo-normen mag een kenniswerker maximaal zes uur per dag achter een beeldscherm werken. Is in die zes uur ook de blootstelling aan de schelle LED-bakken in straten en op pleinen inbegrepen? Het geeft mij in ieder geval een ranzig gevoel wanneer ik na een lange dag kenniswerken wederom gedwongen wordt om in een beeldscherm te kijken dat ergens lukraak in de openbare ruimte staat opgesteld. Vooral publieke schermen met Windows systeemfoutmeldingen stemmen mij bedroefd.

Ecologie van apparaten
Onze leefomgeving wordt in toenemende mate gepenetreerd door beltonen, pinautomaten en reclameborden. Wie zijn dagelijkse boodschappen bij Albert Heijn afrekent met pinpasje, verricht niet alleen een handeling in het filiaal van deze grootgrutter, maar handelt eveneens in de ‘postgeografische’ ruimte van cyberspace. Nieuwe media muteren ons besef van tijd en ruimte. Waar onze omgeving voorheen uit dingen was opgebouwd, zien we tegenwoordig overal informatie. Filosoof Vilém Flusser leerde ons dat een houten tafel ‘geïnformeerd’ hout is; hout dat een vorm opgedrongen kreeg. Een ander voorbeeld. Zijn uw sokken al voorzien van RFID-tags? Goede hoop dat Google de verloren sok voor u vindt. Het internet der dingen is under construction. De computers worden steeds kleiner: van mainframe (gewicht: 30 ton) tot desktop tot rijstkorrel. De rekenkracht van computers wordt compacter en kan over objecten worden gedistribueerd. Inmiddels bevat een mobiele telefoon meer rekenkracht dan de krachtigste mainframe uit de zestiger jaren. Steeds meer ‘slimme’ apparaten bevolken onze leefwereld. Wie bij een doorsnee elektrotechnisch bedrijf naar de ‘intelligente producten en systemen’ informeert, krijgt een keur aan frisdrankautomaten en automatische slagbomen onder ogen. Onderzoek van de UNHCR voorspelde dat het aantal huishoudelijke robots tussen 2005 en 2007 zou verzevenvoudigen. Omdat we geen tijd hebben al onze slimme grasmaaiers, alarmwekkers, broodroosters en deurbellen te bedienen zullen ze zichzelf moeten organiseren. Het huis van de toekomst bevat een ecologie van apparaten.

De grens tussen personen en producten vervaagt
De producten die we gebruiken structureren ons leven. Televisie, frituurpan, mobiele telefoon. Het individuele kopje koffie uit de Senseo machine sluit aan bij de individuele vluchtige levensstijl die we prefereren boven de ouderwetse koffiepot. Maar al te vaak geldt voor de producten die we ontwerpen, dat ze ons ontwerpen. We zijn dus niet alleen gebruikers, we worden ook gebruikt. Ziet u de contactadvertentie voor zich: ‘Product zoekt Gebruiker’. Iedere hobbypsycholoog weet onmiddellijk dat deze relatie niet op basis van gelijkwaardigheid tot stand komt en daarom geen toekomst heeft. Het beroep ‘product ontwerpen’ treedt een nieuwe fase binnen; de functionele problemen zijn grotendeels opgelost. Ontwerpers krijgen de taak producten te voorzien van meer abstracte kwaliteiten, die niet direct aan een functie relateren. De trend van esthetische vormen, fijne kleuren en ergonomie valt te extrapoleren tot producten die een sociaal psychologische relatie met ons gaan onderhouden. ‘Love Me Baby!’ het product als vriend, huisdier of warm nest. Conclusie: De grens tussen mensen en producten vervaagt.

Psychopathische producten
Stel dat we intelligente producten als personen zouden zien. Wat voor personen zijn dat dan? Laten we de hobby-psycholoog er nog even bij roepen. Psychopaten hebben – vanwege hun gebrekkige emotionele diepgang – vaak grote problemen in hun gevoelens en relaties met anderen. Een psychopaat beschouwt andere mensen als objecten die te manipuleren zijn en ziet zichzelf als de belangrijkste persoon die er is. Een psychopaat is oppervlakkig in contact en probeert zich beter voor te doen dan hij is. Zijn ’emoties’ doen vaak aan als dramatisch, kortstondig en onecht. Herinnert u zich de ‘behulpzame’ paperclip in Microsoft Word weer?
Een andere bij intelligente producten veelvoorkomende persoonlijkheidsstoornis is autisme. Autisten worden gekenmerkt door hun beperkingen in sociale interactie en communicatie. Ze kunnen zich geen voorstelling maken van de gedachtenwereld van een ander. Ze leven in een eigen wereld, vaak beheerst door feitjes en regeltjes. Zo kon het gebeuren dat ik mijzelf onlangs schreeuwend aantrof, bij een automatische slagboom: “Laat me naar binnen! Ik werk hier!” De intelligente slagboom was onberispelijk. Hij wist zeker dat mijn auto niet in zijn systeem zat. Dat ik hem al jaren dagelijks voorbij fietste was hem blijkbaar ontgaan. Het valt niet altijd mee om te leven in een wereld vol met autistische en psychopathische producten.

Het rustgevend geluid van een dieselmotor
In tegenstelling tot de meeste mensen die menen dat er steeds meer media komen, betoog ik dat de media aan het verdwijnen zijn. Dat wil zeggen, de media verdwijnen langzaam maar zeker uit ons voorhoofd; we hoeven ons er niet meer bewust mee bezig te houden. Waarom ervaren we het geluid van krekels of de zee als rustgevend, in tegenstelling tot bijvoorbeeld, het geluid van een dieselmotor? Technologie wordt meestal niet geassocieerd met rust en harmonie. Waar machines vroeger grof, log en roestig waren worden ze steeds compacter, transparanter en licht als zonneschijn. Werkelijk hoogstaande technologie maakt zichzelf onzichtbaar. Je herkent het niet als technologie, je gebruikt het gewoon. Een warme winterjas, een fijn paar sportschoenen of een sierlijke vulpen ervaren we niet als technologie. Ook al zijn de sportschoenen niet minder geavanceerd dan de computer op uw bureau. Geslaagde media toepassingen zijn als natuurlijke fenomenen: vanzelfsprekend, ecologisch en evolutionair ingepast in hun omgeving. Nu ik er over nadenk… Mijn stofzuigrobot heeft al wel wat weg van een huisdier. Het apparaat is lichtelijk autistisch, maar de charme waarmee hij door het huis zoeft maakt veel goed. Hij kent alle trappen en de kat is zijn vriend. Wist u trouwens dat binnenkort de allergievrije kat op de markt komt? Het is wachten op een bedrijf dat de stofzuiger en de kat integreert tot één product. Vreemd idee? Ik weet het niet.

Next Nature
De ingrijpende wijze waarop nieuwe media onze leefwereld veranderen valt moeilijk te onderschatten. Vijftien procent van de Japanse tien- tot veertienjarigen weet – als gevolg van een opvoeding door videogames en Tamagotchi – al niet meer dat de dood onherroepelijk is. Japan is de meest technologische samenleving ter wereld. Maar ook wij leven in een technologische cultuur. Biotechnologie, nano-technologie, ambient intelligence, augmented reality en tissue enginering zijn slechts enkele van de nieuwe vakgebieden waarmee we onze toekomst tegemoet treden. Al deze vakgebieden grijpen radicaal in op ons begrip van ‘wat natuurlijk’ is. Het is om die reden dat we ze samenbrengen onder de noemer ‘Next Nature’. Kort samengevat: de media verdwijnen, de natuur neemt het over. Het is belangrijk te beseffen dat ik hier niet de natuur bedoel, zoals we hem kennen uit de Disneyfilms. Verre van, dit is echte natuur. Wilde systemen, genetische surprises, kalme technologie, autonome machines en prachtige zwarte bloemen. We treden een tovertuin binnen die ons verrast, verwondert, soms neerslaat en soms gunstig gestemd is. Succes met inparkeren!

Onzekerheid distribueren, een politiek design principe

Auteur: Rob van Kranenburg

“Don’t you know I’m talking about a revolution that sounds like a whisper.” Tracy Chapman

Veiligheid, transparantie, controle: normen en waarden vertaald naar design.
In alle lagen van bestuurlijke niveau’s van publieke instellingen vinden we disciplinerende maatregelen. De normen en waarden discussie lijkt nu ook te zijn doorgedrongen tot het vormgeven van de openbare ruimte: roken mag bij rookpalen, je fiets zet je tegen een fiets-‘nietje’, je kleding waarschuwt voor brandgevaar. Daarnaast wordt in de openbare ruimte steeds meer gewaarschuwd voor zakkenrollers, ‘mind your step’, etc. Apenkooien is tegenwoordig op lagere scholen verboden, want veel te gevaarlijk. Iedere instelling vertaalt de grotere thema’s, veiligheid, onzekerheid- op haar eigen manier.

Neem het voorbeeld van de vernieuwde Rotterdamse Openbare Bibliotheek waar de de boekenkasten qua hoogte zijn gehalveerd. Dit is gebeurd ten behoeve van de overzichtelijkheid. Personeel kan nu precies zien wat er allemaal tussen de kasten gebeurd. Het idee dat mensen daar boeken zoeken is blijkbaar achterhaald? Dit ligt in de lijn van hoe nu ontworpen wordt. Disciplinerend design: met het design bepaald gedrag afdwingen. Dit doet denken aan Louis Althusser’s theorie van ‘interpellation’ en ‘appellation’. Althusser probeerde te doorgronden waarom mensen gehoorzaam zijn, en zich schikken aan bijvoorbeeld het kapitalisme. Hij onderzoekt daarbij de relatie tussen regering en bevolking. Met het huidige ‘disciplinerings design’ spreekt de staat het volk aan op haar gedrag. De rookpaal of het fietsnietje doen het feilloos: ze spreken niet, maar mensen gehoorzamen er wel degelijk aan.

Interventies anno 2004
Meer zekerheid bieden. De controle versterken. Camera‘s op straat. Camera‘s met gezichtsherkenning software op straat. Hoe is het zo ver kunnen komen? Het is zo ver kunnen komen omdat de westerse democratie als basisuitgangspunt heeft gecreeërd: nultolerantie ten opzichte van risico‘s. De defaultpositie, beste burger, is zekerheid, ja, daar heeft u recht op! In een hoogtechnologische wereld die steeds geconnecteerder is, is dit helaas een verliezende houding. De wereld ontvouwt zich niet meer in een Dickensiaans begin, midden en eind. De wereld resoneert. En dingen resoneren mee. En de mensen resoneren mee. In een dergelijke wereld is zekerheid een sprookje. En wij maar denken dat de ander het sprookje was!

“Een groep bezorgde leerlingen van kunstacademie Sint Joost heeft samen het ‚Pas op team‘ gevormd. Zij spelen in op de toenemende behoefte aan veiligheid in onze samenleving. Door allerlei maatregelen wordt geprobeerd de veiligheid te waarborgen. Het ‚Pas op team‘ vraagt aandacht voor de soms wat overdreven angst voor onveiligheid. Bijvoorbeeld het verbieden van het spel apekooien in gymzalen, omdat dit te gevaarlijk zou zijn. Of het aanbieden van rijbewijzen voor mensen met rollators. Het door witte overalls herkenbare team, voorzien van aanwijsbordjes met de tekst ‚Pas op‘. Zal mensen wijzen op alle mogelijke gevaren die er bestaan. Deze actie zal donderdag middag 5 februari vanaf 13.30 uur plaats vinden in het dorp Oisterwijk. Dit dorp is niet een doelbewuste keuze geweest van het team. Dit hoopt door middel van de media een bredere bekendheid te krijgen met hun actie. Om op deze manier mensen bewust te maken van de soms wat overdreven angst voor onveiligheid.”

Wat er gebeurde was nog veel interessanter en belangrijker dan het project zelf. De ironie werd geheel niet onderkend. Op de markt waar het ‘Pas Op team’ stickers uitdeelde met ‘Pas Op Paraplu’ aan burgers met een paraplu, werden deze dankbaar in ontvangst genomen. Een dochter stootte haar moeder aan en zei: “Dat hadden ze al veel eerder moeten doen”. Was onze interventie een succes? Niet qua opzet. Wel werd duidelijk hoe groot het gat is tussen geloof en geloofwaardigheid. Michel De Certeau schrijft niet voor niets; hoe veel geloof en hoe weinig geloofwaardigheid!
Wat is het resultaat van dit top down plannen en disciplinerings design van de openbare ruimte?
Een bange bevolking. En een bange bevolking innoveert niet. Een bange bevolking staat technologisch stil. Dat is nu problematisch! Want de dominante trends in computing zijn: pervasive computing, ubicomp, ambient intelligence, things that think, disappearing computer, ziet interfaces als de nieuwe processors. De interface verschuift met deze nieuwe ontwikkelingen naar de omgeving. Als mensen de omgeving niet vertrouwen, waarom zouden ze hun data daar dan in distribueren? Dit zou wel eens het einde van Location Based Services kunnen betekenen, het einde van ubicomp, het einde van de digitale revolutie.

Strategieën van en voor creatieve interventies: Waar komen onze meest succesvolle labs vandaan?
De Waag en V2 zijn de meest succesvolle Nederlandse labs van de afgelopen vijftien jaar in de creatieve sector. Het is zonder precedent de korte tijd dat V2 en de Waag hun vragen, hun visie relevant hebben weten te maken voor Surfnet, een academische node. In tien – vijftien jaar zijn ze verplaatst van de oppositie, van de marge, naar de plaats waar ze nu gevraagd wordt door het academische discours, de grote R&D labs en Europees spitsonderzoek. Hoe is dat zo kunnen gaan? Eén van de grootste randvoorwaarden voor dit grote succes is het liberale klimaat in de jaren tachtig dat mede de randvoorwaarden voor het ontwikkelen van een krakerscultuur (V2, Den Bosch) en een hackerscultuur (Digitale Stad, Amsterdam) heeft ondersteund.

Het klimaat lijkt nu drastisch veranderd ten opzichte van de liberale jaren tachtig. Het gedoogbeleid lijkt te versmallen en ideeën als veiligheid en zekerheid worden door de overheid gepropageerd. V2 en Waag Society ontwikkelen zichzelf als zelfstandige kennisomgevingen tegenover universiteiten en corporate R&D labs. Hun voornaamste uitdaging ligt er in niet te willen worden als zij, het universitaire discours dat kwaliteit alleen tekstueel kan denken wordt steeds irrelevanter voor een beleids-, bestuur en ook onderzoeksmatige netwerk werkelijkheid.

Situatie nu: Een onwaarschijnlijk goed uitgebouwd nieuwe media netwerk en geen geïntegreerde vraag.
Er zijn twee belangrijke vragen die geïntegreerd zijn:
a) De creolisering van Nederland. De groepen Turken, Marokkanen, Hollanders, Antillianen groeien naar elkaar toe. Er is geen witte kern meer in afzienbare tijd. We zien een toename van het racisme op het platteland. Het ligt voor de hand dat de steden steeds meer creoliseren. Hoe lang gaat het duren voordat de dorpen zich gaan afvragen wat voor hen nog ‘Nederland’ is? Waarom zouden ze belasting betalen voor die steden die voor hun vreemd zijn geworden? Deze ontwikkelingen zijn koren op de molen van extreem rechts.

b) De trend naar gesloten interfaces. De nieuwe ubicomp digitalisering is een labtechnologie die wil verdwijnen in de omgeving. Resultaat: een welbepaalde functionaliteit wordt de burger aangereikt die niet kan innoveren, programmeren op een te geavanceerd verborgen protocol.

De vraag is nu welke nieuwe creatieve strategieën in dit huidige klimaat kunnen ontstaan, en welke in staat zijn om zo’n geïntegreerde vraag vorm te geven in theorievorming, het formuleren van wat als onderzoek geldt, een beleidswerkelijkheid en een dagdagelijkse ervaren genetwerkte wereld.

Stand van zaken in e-onderwijs:
Prof.dr. Paul Kirschner, onderwijsonderzoeker aan de Open Universiteit, stelt dat ook voor docenten de computer een net zo normaal leselement moet worden als voor de studenten: (in 2003!)

“De lerarenopleidingen hebben het zwaar, ze moeten zich continu aanpassen aan de hervormingen in het onderwijs. Ze zijn zoekende, ze weten nog niet hoe ze ict (informatie- en communicatietechnologie) moeten inzetten. Het is ook niet makkelijk om leraren voor te bereiden op de rol die ICT zal spelen op de scholen waar ze terechtkomen. Over een tijdje is die rol allesbepalend.‘‘

Laten we dit toch eens overlezen:
“De lerarenopleidingen hebben het zwaar, ze moeten zich continu aanpassen aan de hervormingen in het onderwijs. Ze zijn zoekende, ze weten nog niet hoe ze ICT (informatie- en communicatietechnologie) moeten inzetten. Het is ook niet makkelijk om leraren voor te bereiden op de rol die ICT zal spelen op de scholen waar ze terechtkomen. Over een tijdje is die rol allesbepalend.‘‘

Dat zijn nu juist de vaardigheden en de houding die het onderwijs moet voor op zetten: onzekerheid distribueren!
Hoe kan men nu vooruitgang boeken in een debat als ‘experts’ het probleem in problematische termen naar voren schuiven?

Stand van zaken in e-conomie
In het Sleutelgebied Innovatie Platform lezen we bij de Creatieve Industrie:

“Om de meest effectieve stimulerende acties boven tafel te krijgen heeft het Innovatieplatform de bottom-up sleutelgebieden-aanpak gestart. Het Innovatieplatform heeft bedrijven, kennisinstellingen en overheden gevraagd waar zij in uitblinken, welke ambitie zij delen en wat er nodig is om deze sneller en beter te verwezenlijken. Zo is getracht te achterhalen welke acties nodig zijn om de innovatieve kansen die Nederland heeft te benutten. Niet door dat vanuit Den Haag te bedenken, maar door de direct betrokkenen zich daar zelf over uit te laten spreken.”

Uit dit citaat spreekt een onbegrip van wat ‘bottom-up’ betekent. Bottom up, of grassroots, is immers de actie zonder context van bedrijven, instellingen en overheden. Het reflexieve vermogen van een beweging of nieuwe houding ontstaat gaandeweg en kan pas achteraf worden bezien in het licht van het netwerk. Instanties en individuen zelf vragen wat ze interessant vinden is natuurlijk van belang, zoals in elke basale questionnaire. Bovengenoemde opzet gaat echter voorbij aan wat er bottom up gaande is. Ingezet moet worden op de killer app van de Nederlandse Creatieve Industrie.

Wat is de killer app van Nederland?
“Een ‘kennissamenleving’ verdient die naam pas als kennis van mens en kennis van techniek goed met elkaar sporen. Er zullen wel altijd twee culturen blijven bestaan – kunst en cultuur versus technologie en techniek – maar er is slechts één economie.“ Ton Langendorff.

Steden ontwikkelen een eigen beleid op dit terrein. Eindhoven richt zich op Aken en Leuven en heeft de A2 opgegeven. Rotterdam richt op de regio. Twente richt zich op Duitsland. En Amsterdam, wel Amsterdam richt zich op Amsterdam. Waar blijft de vierhoek Rotterdam/Amsterdam/Twente/Eindhoven? Dat is de killer app van Nederlandse E-cultuur.

Geletterdheid en Technologie

Alle dingen verdwijnen, en zeker alle dingen door mensen gemaakt. Buckminster Fuller gebruikte de term Ephemeralisation voor de manier waarop een technologie opgenomen wordt door het alledaagse gebruik. De pen, de telefoon, de cd speler, technologie die er was terwijl we opgroeiden is voor ons gewoonweg een andere laag van connectiviteit. Iedere nieuwe technologie brengt zijn eigen geletterdheid mee, de aard van de technologie bepaalt de geletterdheid.

Technologiën worden functionele geletterdheden.

Ze verdwijnen omdat we ze niet zien als iets dat we moeten leren, ons eigen maken door studie. Ze lijken er altijd al te zijn geweest. De interface is zo intuïtief, geheel natuurlijk.

Iedere nieuwe techniek brengt haar eigen geletterdheid voort. Dit is dan de kern van de zaak: nieuwe technologiën gaan over media als verschijningsvormen, en over medialiteit; dat wat de technologie steeds zichtbaar maakt als nieuwe vormen van connectiviteit (internet, sms, gprs, cctv software, RFID, biosensors).
Een lange termijn visie is onderschrijven dat nieuwe technologiën hun eigen geletterdheden creeëren.

In de eindrapportage van het IBO technologiebeleid “Samenwerken en Stroomlijnen: Opties voor een effectief innovatiebeleid“ (2002) wordt dit als volgt onderschreven:
“In de kenniseconomie wordt economisch succes in steeds grotere mate bepaald door het toepassen en ontwikkelen van (nieuwe) kennis en door het leervermogen van de economische actoren om deze kennis te benutten voor nieuwe economische bedrijvigheid. Het gaat bij kennis dan niet alleen om technische R&D, maar om alle kennis die nodig is voor het omzetten van een idee in een commercieel succesvol product of dienst: de zogenoemde zachte kant van innovatie (nieuwe organisatievormen, innovatieve logistieke concepten, nieuwe management- en marketingconcepten, etc.). (IBO, 2002, p. 12).“

Om op deze wijze gestalte te kunnen geven aan beleid wordt er een concept aangereikt: het dynamisch innovatiesysteem:
“De essentie van deze benadering is dat innovatie wordt gezien als het resultaat van een complex en intensief samenspel tussen eindgebruikers, bedrijven, kennisleveranciers, intermediairs, infrastructurele voorzieningen (zoals octrooibureaus, beschikbaarheid van kapitaal en standaarden & normering) en randvoorwaarden (zoals fiscaal klimaat en ondernemerschap).“

Dit vereist “het actief combineren van kerncompetenties “die verspreid aanwezig zijn bij de verschillende spelers in de directe omgeving van de ondernemer, zoals afnemers, leveranciers, kennisinstellingen (universiteiten en gespecialiseerde onderzoeksinstituten), alsmede gespecialiseerde intermediairs (ingenieursbureaus, consultants e.d.).“
Het uitgangspunt van de brainstorm is het idee van het Virtueel Platform dat dit actief combineren te weinig vorm heeft op dit moment.

Dit wordt gesignaleerd door Pim de Hertog en Jeroen Segers:
“In discussions among innovation scholars and policy-makers alike it is acknowledged that this soft side of innovation does matter. However, this recognition is relatively new and not as widespread as possibly needed. Lundvall for example observed that “….the Green Paper tends to underestimate the soft aspects of innovation, such as the role of human resources, competent users, demand factors, network building and organizational change“ (Lundvall, 2001, p. 287). In discussions on the knowledge economy from the mid nineties onwards the focus has gradually broadened from innovation in manufacturing and ‚hard‘ technical knowledge and R&D to innovation in services and other types of knowledge.“ (SERVICE INNOVATION POLICIES: A COMPARATIVE POLICY STUDY SIID PROJECT, PHASE 4, PIM DEN HERTOG , JEROEN SEGERS, UTRECHT, FEBRUARY 2003 .)

Zij hebben oog voor het actief combineren van de kerncompetenties, het afwegen van de zeer specifieke relatie tussen de harde kant en de zachte kant van innovatie: „In practice it is better to not make this into a black and white discussion and to think of innovations as combinations of technical and non-technical innovation. The difference is where an innovation is located on a the continuum ranging from technical to pure non-technical innovations. Increasingly technologically innovative products are surrounded by a sometimes even innovative service package (that are sometimes much more profitable, see for example the service offered by industrial firms like OCÉ and Stork).“
Ton Langendorff stelt in De kunst van het innoveren: is het combineren van zachte en harde kennis (AWT-Achtergrondstudie nr. 10 20 ondernemers aan het woord):
“Voor ondernemers is de ‚zachte‘ kant van innovatie geen nieuw onderwerp. Zij weten uit ervaring dat technologie alleen niet voldoende is om de concurrentie aan te gaan. Een product kan technisch nog zo perfect zijn, maar als de vormgeving niet deugt, als de prijs te hoog is of als het product eigenlijk nergens toe dient, als het product ongemakkelijk in gebruik is of de levertijd is te lang, of het product kan niet in voldoende varianten in kleur of prijsklasse worden geleverd, of het product is nog te nieuw…, dan koopt de klant het niet. En omgekeerd, als het product gunstig in prijs is, snel geleverd kan worden in allerlei varianten, als het merk en de reclame aanspreken, als de handleiding duidelijk is, als het product makkelijk in gebruik is, maar de kwaliteit laat te wensen over, dan koopt de klant het ook niet. De ‚harde‘ kant van innovatie kan niet zonder de ‚zachte‘ kant en omgekeerd“.

Iedereen weet het….“ Alleen in het overheidsbeleid ligt de nadruk nog sterk op technologie; de subsidies van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) gaan vooral naar technologisch onderzoek, niet naar design of marketing. Het technologiebeleid van EZ zou eigenlijk innovatiebeleid moeten heten.“

Fundamenteel voor E-cultuur als brede beweging die zich in de samenleving als geheel verweefd is een stap naar een manifestatie als E-cultuur in de veranderende rollen die mediërende, opiniërende, erfgoed, museale en informatieverzorgende (bibliotheken) instellingen zullen gaan spelen:
“In the emergent arena of e-culture, it is clear that digital media and media culture raise fundamental questions for many cultural institutions: in terms of what they do, how they do it and with whom and for whom they’re doing it. More fundamentally (if the analysis of the Dutch Council for Culture is to be followed) a third manifestation of e-culture will become visible: cultural organisations will take on new institutional functions and working modes that are prompted by processes of digitalisation. Cultural institutions will have to organise their core functions differently, especially in their connections to other cultural institutions and the outside world. Moreover, in the digital age, the value of many cultural institutions can increasingly be found in their role as mediators between networks that produce culture and impart meaning. They will progressively find themselves contributing their knowledge and content within a cultural arena where also other highly diverse players are operating: film and cross-media producers, media communications agencies, art and technology research institutes, software and game developers, community centres and schools. “

De regie in zo’n omgeving kan alleen tijdelijk, onderhandelend en bemiddelend zijn: “Moreover, in the digital age, the value of many cultural institutions can increasingly be found in their role as mediators between networks that produce culture and impart meaning.”

Maar ze moet wel tijdelijk een visie hebben.
Regie is ook nodig als het gaat om de onderhandelbaarheid van nieuwe technologieën zoals RFID aan te sturen. De Stichting RFID is een pure marketingdressing. Cor Molenaar geeft niet thuis als er gediscussieerd moet worden over de noodzakelijke onderhandelbaarheid van nieuwe technologieën als RFID. Zonder centrale aansturing is het onmogelijk om deze uitrol duurzaam te maken qua systemen, protocollen en privacy regelgeving.

Waar blijft de visie van en op de derde generatie internetgebruiker?
De eerste (code)en tweede (visuele) internetgeneratie dragen hun idee van strategie en tactiek nog over terwijl ze zelf het centrum hebben leeggehaald. Is het daarom dat er geen derde generatie opstaat? De eerste generatie is die van de coders, van de programmeurs. Zij beseften dat ze de randvoorwaarden van een nieuw informatiesysteem mee konden vormgeven. We vinden hen nu terug in de open source beweging. De tweede generatie is visueel, zij organiseerden zich via de Browserdagen in hun analyse dat de visuele editors waarmee je het netwerk inging voor een groot deel je gevoel van agency op dat net bepalen.
De derde generatie – de eerste digikid generatie is verdwenen in de gadgets, in het beheersen van pakketten, in zoals in deze onderstaande analyse van Peter Giesen:
“Pioniers van media en technologie hebben één groot probleem: ze zijn zo gek op media – en de bijbehorende gadgets – dat ze de werkelijkheid uit het oog verliezen. Nieuwe mediagoeroe Vincent Evers beschreef ooit in lyrische termen hoe hij geld had bespaard door op zijn mobiele telefoon producten te vergelijken, terwijl hij aan het shoppen was. Zulke goeroes miskennen de luiheid van de consument, die helemaal geen zin heeft om al die prijzen en specificaties te vergelijken, en zeker niet op het minuscule schermpje van zijn telefoon. De technologie die deze fantastische mogelijkheden bood, heette WAP, en is nu al lang vergeten.

Tweeëneenhalf jaar was ik verslaggever nieuwe media voor de Volkskrant. Die functie was gebaseerd op een taxatiefout mijnerzijds. Ik dacht dat internet heel groot zou worden, en dan zou ik vanzelf meegroeien. Vrijwel iedereen die ik in die periode de revolutie hoorde verkondigen, ging failliet, raakte in de vergetelheid, of ploetert verder in de marge van het medialandschap.
Mijn doop als verslaggever op het gebied van nieuwe media vond plaats in februari 2000, op de MILIA, een beurs voor internet en spelletjes in Cannes. Ik ontmoette er de jonge directeur van een Amsterdams internetbedrijf, die me een beetje meewarig aankeek. Krant. Oude media. Passé! Een paar maanden later was zijn bedrijf failliet. Ik reageerde wat sceptisch op zijn stormachtige enthousiasme. Om mij te overtuigen, wees hij op een bedrijf dat een hele verdieping van het Palais des Festivals had afgehuurd. Ze zaten in energie, maar hadden tijdig ingezien dat olie en gas een hopeloos ouderwetse business was. Nu deden ze in breedband, want internet, dat waren de pijplijnen van de toekomst. ‘Als die jongens erin gaan zitten, dan weet je het wel, die hebben visie, die zetten een strategie uit, terwijl de rest nog zit te slapen’, enthousiasmeerde hij nog iets verder. De naam van het bedrijf: Enron.
Zo ging het tweeëneenhalf jaar door. Ik reisde af naar Hamburg, waar Bertelsmann hard werkte aan TV-on-demand. Een fantastische vinding: voortaan was je niet meer overgeleverd aan de grillen van de netmanager, maar kon je via internet naar tv-programma’s kijken op het moment dat het jou uitkwam, ook al was dat twee weken na uitzending. De directeur van Bertelsmann Broadband was hoofdgast op het Omroepcongres in Hilversum, waar hij de verzamelde omroepbobo’s de toekomst uitlegde. Daarna heb ik nooit meer iets van hem gehoord. De ‘slimme’ videorecorder TiVo, waardoor ‘televisie kijken opnieuw werd uitgevonden’? Leidt een marginaal bestaan in de VS en wil maar niet naar Europa komen. Het Scandinavische Bredband dat de hele Benelux van glasvezel wilde voorzien? Allang gestopt. Interactieve televisie? Een flop. De digitale extra pakketten van Casema en UPC? Niemand wil ze. Video-on-demand? De videotheek op de hoek staat er nog steeds. Nieuws op de mobiele telefoon? Soaps op de mobiele telefoon? Schei alsjeblieft uit, na een kortstondige hype werd er niets meer van vernomen. In december 2000 was ik al ontnuchterd. Ik bezocht een congres in Barcelona over nieuws op de mobiele telefoon. Op het podium zaten een aantal Scandinavische pioniers, als droefgeestige dominees uit een Bergmanfilm. ‘Er is meer belangstelling voor het lezen van tarotkaarten via de gsm dan voor nieuws’, zei Gunnar Stavrun van de Noorse tv-zender TV2. Na een paar jaar begon mijn chef de verhalen die ik inleverde voorzichtig te bekritiseren. Ze waren wel goed, zei hij, maar ze vertelden steeds hetzelfde verhaal. Er was eens een vinding waarvan veel werd verwacht, maar die hopeloos mislukte. Het is leuk om een ballon door te prikken. Het is minder leuk om op de flarden te blijven stampen. De Digitale Revolutie is zowel mislukt als geslaagd. Mislukt zijn de plannen van de praatjesmakers, maar internet en mobiele telefoon zijn niet meer weg te denken. Mijn kinderen zouden liever de televisie dan de computer de deur uit doen. Via msn communiceren ze met hun vrienden, op Cu2 publiceren ze hun hoogstpersoonlijke profiel. Aan mijn activiteiten als mediaverslaggever hield ik één, niet al te opzienbarende, wijsheid over: communicatie scoort beter dan informatie. De praatjesmakers dachten te consument te kunnen bombarderen met steeds meer informatie. Maar de consument lijdt al onder een overvloed aan informatie. Hij heeft helemaal geen nieuwe informatie nodig, laat staan dat hij er voor wil betalen.
Hij heeft wel behoefte aan communicatie met zijn dierbaren. Hij wil geen nieuws op zijn mobiele telefoon, maar een camera, zodat hij zelf kan vastleggen wat in zijn eigen leven nieuwswaardig is. En dat wil hij uiteraard weer delen met anderen. Zo nestelen de nieuwe media zich in ons leven, niet vanwege de hoogwaardige technologie of het praktische nut, maar omdat mensen steeds meer de verslaggever van hun eigen leven worden.”

Als ‘communicatie’ de default is geworden om op te ontwikkelen, dan wordt duidelijk dat er niet aan de randvoorwaarden van die communicatie wordt getornd.

Er is geen centrum meer omdat e-cultuur als e-cultuur te goed is geslaagd. Na amper 12, 13 jaar bevraagt niemand meer de dominante browser, of zoekmachine. Het idee ‘browser’ is tegenwoordig gelijk aan Internet Explorer, en Google is niet een specifiek algoritme, maar gewoon de zoekmachine. Je gaat niet meer alleen online, nee, met Eurekster. Alleen je locale face to face vrienden vertrouw je nog, terwijl de droom was overal ter wereld vrienden te maken.
Er is een netwerk. Er is geen centrum meer. De oppositie dient alleen nog om wat dode tyranniën levend te houden. De oppositie zelf maakt het centrum.Kan het zijn dat ik geen derde generatie zie omdat ze geen centrum kan vinden om zich tegen af te zetten? Hoe kan ze dan leren dat dat er niet meer is!

Online-discussies over huwelijk, seksualiteit en islam

Auteur: Lenie Brouwer

Wat hebben jonge moslima’s in Nederland over hun leven te zeggen? Niks, zou je bijna denken als je de media moest geloven. Ze moeten een sluier dragen en maagd blijven totdat ze trouwen met de man die hun ouders hebben uitgekozen. Cultureel antropologe Lenie Brouwer nuanceert dat beeld. Op het discussieforum Yasmina verdiepte zij zich in de leefwereld van Marokkaans-Nederlandse jonge vrouwen. Hoe gaan ze om met seksualiteit, het huwelijk en de islam? De hartenkreten op het forum weerspiegelen de zoektocht naar hun identiteit als moslima, als Nederlandse en als vrouw.

Talloze moslimmeisjes krijgen aangeleerd dat zij nederig en gesluierd door het leven moeten gaan, gehoorzaam aan vader en broers die haar maagdelijkheid bewaken en haar desgewenst tot een huwelijk met een niet zelf gekozen partner dwingen.
Dit zijn de woorden van NRC-columnist Elsbeth Etty die in 2003 beweerde dat het gezin een broeinest van ‘onderdrukking en maatschappelijke dressuur’ voor moslimmeisjes kan zijn. Haar uitspraak staat niet op zich. Het past tussen meerdere incidenten die de aandacht op een negatieve manier op moslimmeisjes hebben gevestigd. Je ziet dat alleen de moslima’s die het heersende beeld van de onderdrukte vrouw bevestigen toegang krijgen tot de discussie over de islam. Ook het debat dat Ayaan Hirsi Ali heeft aangezwengeld over de onderdrukking van moslimvrouwen, benadrukte vooral de passiviteit van de moslima. Dergelijke visies krijgen in de media alle ruimte omdat ze goed passen in de huidige tendens dat ‘alles gezegd moet kunnen worden’ als het om allochtonen gaat. Zo wordt het negatieve beeld van de islam bevestigd als onderdrukkende godsdienst voor vrouwen. Hoe de moslima’s er zelf tegenaan kijken? Dat wordt hen nauwelijks gevraagd. Dankzij internet kan iedereen nu zelf een kijkje nemen in de gedachtewereld van Nederlands-Marokkaanse meisjes.

In de beslotenheid van de anonimiteit
Marokkaans-Nederlandse meisjes zijn veel op internet te vinden. Ze discussiëren op sites als Maroc.nl en Marokko.nl over actuele thema’s in Nederland en in het land van herkomst. Hun gesprekken gaan bijvoorbeeld over het huwelijk, godsdienst en – natuurlijk – de liefde. De reden dat meisjes zo veel op het web te vinden zijn, ligt in hun relatief beperkte bewegingsvrijheid. In de beslotenheid van hun eigen kamer staan zij in direct contact met de wereld. De anonimiteit van het discussieplatform geeft hen de gelegenheid om open te praten over de dingen die hen bezighouden, maar die ze niet gauw met een bekende durven te bespreken. Een populair forum onder tienermeiden en jonge vrouwen is Yasmina, een onderdeel van Marokko.nl Virtual Community (MVC). Hoe actief is Yasmina? Een van de oprichters: “Om je in een indruk te geven: we krijgen ongeveer tienduizend berichten per dag. De helft van de leden schrijft zelf berichten en de andere helft volgt de discussies zonder zelf een bijdrage te leveren. De twintig actiefste auteurs posten gemiddeld tien tot dertig berichten per dag op het forum.”

Experimenteren
De schrijvers, met nicknames als Couscousje, Womanpower en Marocgirl zijn vooral op Yasmina te vinden omdat ze “een eigen plek” willen hebben en een plaats waar je “geloofsgenoten” kunt ontmoeten. En natuurlijk omdat het “een super site” is. Aan de andere kant was er bij enkele leden, vooral bij diegenen die de debatten al meer dan een jaar volgden, enige teleurstelling over het gebrek aan serieuze reacties. “Vroeger was het leuker, het is een kinderhoekje, ik kom er minder.” De Yasminaleden vinden het prettig dat de site anoniem is. Het geeft allochtone jongeren nieuwe kansen om te experimenteren zonder de sociale controle van de ouders of gemeenschap. Het biedt hen een ongekende autonomie, waarbij jongeren ervaringen kunnen opdoen buiten de eigen directe leefsituatie. Een meisje vertelde dat ze op een bijeenkomst van Marokko.nl wel eens mensen heeft ontmoet die ze kende van Yasmina. “Maar na de kennismaking veranderen mensen meestal. Persoonlijk contact is moeilijk in onze cultuur, je weet nooit wie je kunt vertrouwen.”

Familie, geloofsgemeenschap op samenleving
Een moslima krijgt van verschillende kanten te horen hoe ‘ze zou moeten zijn’; van haar familie en haar geloofsgemeenschap, en ook nog eens van de omringende seculiere samenleving. In de discussies op Yasmina zie je hoe de moslimmeisjes tussen die verwachtingen laveren om hun eigen weg te kiezen. Op het forum spiegelen ze zich in de berichten van anderen, om te weten waar ze staan en bij welke groep ze horen. Zo vormen ze een beeld van hun eigen identiteit, van hun plaats in de eigen gemeenschap en in de Nederlandse samenleving. In hun woorden op Yasmina klinkt die zoektocht naar ‘het zelf’ door.

In de forumdiscussies op Yasmina neemt het huwelijk een belangrijke plek in. Bij de opvoeding van een Marokkaans meisje geldt behoud van maagdelijkheid als een belangrijke voorwaarde voor het sluiten van een goed huwelijk en de ouders spelen een belangrijke rol in de besluitvorming. Maar in de stereotype beeldvorming over moslimmeisjes, vinden we maar weinig terug van de strijd en onderhandelingen rond het huwelijk. Op Yasmina zie je hoe de meisjes het proces – of ze gaan trouwen en met wie – weldegelijk proberen te beïnvloeden, al dan niet met succes. Drie voorbeelden hoe Nederlandse moslima’s hun plaats bepalen in populaire discussies uit 2003 over seksualiteit, huwelijk en het geloof.

1. Seksualiteit; ‘alweer dat gezeik over het maagdenvlies’
In de beeldvorming in Nederland over de islam wordt behoud van maagdelijkheid voor het huwelijk vaak voorgesteld als iets dat opgedrongen wordt door de ouders en de gemeenschap. Hoe kijken de leden van Yasmina hier zelf tegen aan?

De topics op Yasmina geven al een indruk: ‘Vrijen en toch maagd zijn’, ‘Help ik ben geen maagd’ of een poll over ‘Wie er wel en niet maagd is’. Uit de titels van de berichten is ook af te leiden dat sommige leden genoeg hebben van het onderwerp, ‘alweer dat gezeik over maagdelijkheid’. Een meisje vraagt of je in Nederland een ‘maagd-verklaring’ bij de huisarts kunt krijgen, in verband met haar aanstaande huwelijk. Ze schrijft dat ze weet dat ze “1000% maagd” is, maar dat ze zich laat leiden door de druk van de gemeenschap. Het meisje krijgt voornamelijk kritiek op haar bericht. Slechts twee meisjes en een jongen tonen begrip voor haar probleem. Tegelijkertijd proberen zij haar te stimuleren niets van de “roddels van de mensen” aan te trekken en op “Allah” te vertrouwen. Een jongen schrijft dat hij “graag zou hebben” dat een meisje zich door een arts laat onderzoeken, daar vindt hij “niets vernederend aan”. Anderen juist wel, “je laat je gewoon met een vergrootglas bekijken”, reageert een meisje. “Je bent toch geen museum-object.” De meeste andere reacties gaan erover dat artsen de maagdelijkheid van een meisje niet kunnen controleren: “Het maagdenvlies bestaat niet.” Een enkeling reageert vanuit de islam: “Vrees liever Allah, dan je praatgrage buurvrouw.”

De reacties op het forum laten zien dat het behoud van maagdelijkheid niet ter discussie wordt gesteld, de druk van de gemeenschap wel en dat zij het meisje ondersteunen om zelf haar keuze te maken. Hierbij zien ze maagdelijkheid niet als iets van de gemeenschap, maar als een zaak die alleen de vrouw en haar toekomstige echtgenoot aangaat. Het meisje spiegelde zich in de forumdiscussie vooral aan de Marokkaanse gemeenschap.
De mensen die reageerden op haar vraag gebruikten meermalen de islam als referentiekader en ze benadrukten keer op keer dat het de eigen keuze was om een maagd-verklaring te halen. Met dat accent op de eigen keuze, gaan ze impliciet in op het stereotype beeld over hen in Nederland, namelijk dat Marokkaanse meisjes ondergeschikt zijn aan de wensen van de ouders en de gemeenschap. Het lijkt erop dat de beeldvorming van de omringende samenleving hun zelfbeeld heeft beïnvloed. Zelf zien ze de eigen keuze evengoed als een onderdeel van hun islamitische identiteit.

2. Het huwelijk; ‘mijn neef kan de pot op’
Marokkaanse ouders staan afkeurend tegenover een huwelijk van hun dochter met een Nederlandse jongen. Maar relaties tussen Berbers en Arabieren liggen ook gevoelig, zo blijkt uit een van de berichten. Een meisje vraagt wat de beste strategie is om dit probleem aan te pakken. De reacties zijn begripvol en ondersteunend. Ook hier zien we weer dat jongeren de eigen keuze van het meisje onderstrepen, en ze geven haar een duwtje in de rug met het geloof: “Ga er voor! Haal desnoods de koran erbij om je ouders te overtuigen.” Drie dagen later verschijnt opnieuw een reactie van de starter van de discussie. Zij bedankt iedereen en besluit met de woorden: “Het geeft mij moed als ik weet dat er meer mensen met hetzelfde probleem rondlopen.”
Na berichten in de media over de grote invloed van ouders op de keuze van een huwelijkspartner voor Marokkaans-Nederlandse meisjes, ontspint er zich een discussie op Yasmina. De één vertelt over haar onafhankelijkheid: “Mijn ma wil dat ik met mijn neef trouw, maar hij kan de pot op.” Een ander probeert haar ouders te overtuigen dat een Marokkaanse echtgenoot uit Nederland beter is dan een uit Marokko, “want het is moeilijk om er achter te komen of het om liefde of om een verblijfsvergunning gaat.”
Onderhandelingen en strijd met hun ouders, dus. Dat nuanceert de heersende beeldvorming over Marokkaanse meisjes, dat ze in een huwelijk gedwongen worden en er niets over te zeggen hebben. De Yasmina-leden verwijzen in hun discussies niet expliciet naar dit soort stereotypen, maar het almaar benadrukken van de eigen keuze is wel degelijk een reactie op het beeld dat ze een passief slachtoffer zouden zijn. Op Yasmina steunen de meisjes elkaar bij hun herkenbare problemen. Ze wisselen ervaringen uit en geven elkaar tips, waardoor zij hun onderhandelingspositie kunnen versterken.

3. Islam: ‘hoofddoek staat emancipatie niet in de weg!’
Of het nu om seksualiteit gaat of om het huwelijk, steeds blijkt weer hoe belangrijk de islam als referentiekader is bij het maken van een keuze. Meisjes willen graag weten of een bepaalde handeling al dan niet islamitisch is. In de rubriek Huwelijk en islam bespreken bezoekers uitvoerig hoe een goede moslima zich in een westerse samenleving dient te gedragen. Anders dan in de debatten over maagdelijkheid of het huwelijk komt de negatieve beeldvorming over de islam in Nederland heel expliciet naar voren. Dit is voor een meisje de reden om een uitgebreid bericht te posten met de titel ‘speech van een moslimmeisje’. Hierin roept zij op om de “anti-islamsfeer in de media uit de wereld te helpen.” Zij verzet zich tegen de houding van “bepaalde heldhaftige westerlingen die nog steeds een missie te vervullen hebben” en zich geroepen voelen “de hoop zielige niet denkende moslima‘s te helpen.” Haar hoofddoek staat haar emancipatie niet in de weg, schrijft ze. “De bekrompen mentaliteit in Nederland wel.” De Yasmina-leden trekken expliciet een grens tussen Marokkanen en Nederlanders en ze zetten zich sterk tegen Nederlanders af.
De strijd tegen de negatieve beeldvorming over de islam laat de leden op het forum weinig ruimte voor interne reflectie. De meisjes accepteren dan ook geen kritiek op hun geloof, of de hoofddoek. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de reacties op een bericht van een meisje dat het waagt de hoofddoek ter discussie te stellen. In haar visie zijn meisjes met een hoofddoek “zwak”. “Waarom moeten wij ons beschermen, tegen wie? Tegen de man die zijn ogen niet van ons af kan houden? Dat is toch een probleem van de man en niet van de vrouw?” Zij krijgt van niemand bijval, alleen maar kritiek. Enkele citaten: “Als je twijfelt aan de koran dan ben je geen moslim” en ”je draagt geen hoofddoek om “onaantrekkelijk voor mannen te zijn, maar om geliefd te zijn bij Allah!” Ook stelt iemand dat een “moslima met een hoofddoek juist sterk is”. Een meisje dat zichzelf als een liberale moslim ziet, schrijft later dat ze daarom moeite heeft met de discussies op het forum: “Er hangt een sfeer, oh wee als je tegen de islam gaat. De islam is voor hen heilig. Ze vinden me een ongelovige, een moslimverrader.” Niettemin blijft ze toch kritische berichten sturen om “de mensen eens de andere kant van het verhaal te laten zien”. Dit meisje heeft een punt. Er is inderdaad veel discussie en strijd op het forum, maar deze lijkt zich meer te richten op het anti-islam discours in de Nederlandse samenleving dan op een interne reflectie op het geloof.

Plaats in de samenleving
Sites als Maroc.nl, Marokko.nl en Yasmina versterken de onderlinge band tussen Marokkaanse Nederlanders en de eigen cultuur. Het gevoel dat er een plek is waar iemand je begrijpt, is een belangrijke verdienste van de forumdiscussies. Maar dat is slechts een deel van het verhaal. In hun discussies zijn meisjes ook bezig zich een plaats te verwerven in de Nederlandse samenleving. Het aansnijden van gevoelige thema’s, de herkenning en het bespreken van strategieën op de internetfora biedt hen steun bij het positioneren in de eigen gemeenschap en daarbuiten. Het stimuleert hen te reflecteren op wat het betekent om moslim te zijn, om Nederlander te zijn en om vrouw te zijn. De debatten leveren zo een bijdrage aan de zoektocht naar de eigen identiteit van Marokkaans-Nederlandse meisjes in de Nederlandse samenleving.

Naschrift
Dit artikel is grotendeels gebaseerd op een onderzoek uit 2003. In het recente onderzoek van de studente Wendy Wittenberg naar Yasmina blijkt dat thema’s als liefde en seksualiteit nog steeds heel populair zijn onder de leden. Opvallend is echter dat anno 2007 de respondenten uit Wittenbergs onderzoek veel minder geneigd zijn om de islam als referentiekader te gebruiken dan de respondenten uit 2003. De Yasmina-bezoeksters in het jaar 2007 verzetten zich tegen een te strenge toepassing van de islamitische regels op gedrag. Het lijkt erop dat het liberale moslimmeisje uit 2003 niet meer alleen staat in haar opvattingen.

Through the looking glass into the club scene

Auteur: Annet Dekker

Als je een danceclub binnengaat, stap je net als Alice in Wonderland door de spiegel en kom je in een andere, wondere wereld terecht. Annet Dekker heeft de VJ-cultuur in Nederland in kaart gebracht. Ze nodigt iedereen uit om met haar door de spiegel te stappen. Haar reis leidt langs de camera obscura, het kleurenorgel en de ‘happenings’ van Allan Kaprow naar de ‘synesthetische’ performance die DJ’s en VJ’s elk weekend ten beste geven in danceclubs.

Let‘s pretend the glass has gone all soft like gauze, so that we can get through. Why it‘s turning into a sort of mist now, I declare! It‘ll be easy enough to get through-’. She was up on the chimneypiece while she said this, though she hardly knew how she had got there. And certainly the glass was beginning to melt away, just like a bright silvery mist. (Lewis Carroll, Alice through the Looking Glass, 1871)

In de ‚ervaringswereld‘ van tegenwoordig is de aanspraak op onze zintuigen enorm. In clubs, winkels en cafés worden we bedolven onder muziek, beats, lichteffecten en videobeelden. Dit zorgt voor een synesthetische ervaring, een ervaring waarbij de ene sensatie een andere sensatie oproept en we geraakt worden door een combinatie van geluid, geur, visuele en fysieke prikkelingen. Nergens is deze sensatie zo duidelijk te ervaren als in de clubscene. De diskjockeys en videojockeys creëren in de danceclubs een synesthetische performance waarin ze verschillende artistieke vormen en technieken mixen om een emotionele reactie bij de toeschouwer op te roepen. De synesthetische performances zijn een eerste aanzet tot het creëren van een virtuele realiteit in de werkelijkheid (zonder hulp van een 3D-bril of speciale kleding). De participatie van het publiek is essentieel voor het slagen van de ervaring. Met hun synesthetische performances lokken de VJ‘s hun publiek als het ware door Alice’ spiegel heen, naar een nieuwe wereld. DJ’s en VJ’s waren overigens niet de eersten die dat deden. Al heel vroeg in de geschiedenis waren mensen bezig met voorstellingen van beeld en geluid. Volgens Keez Duyvis (Pips:Lab) waren de holbewoners de eerste VJ‘s. Waarmee het VJ-en zo‘n drieduizend jaar geleden is ontstaan: “Holbewoners maakten konijntjes met hun handen. Het kampvuur gaf schaduwen op de grotwand. Anderen trommelden. Dat was VJ`en oude stijl…”

Overdonderen met beeld: van Miracle Plays tot Camera Obscura en Panorama’s
Het duurt even voordat er werkelijk sprake is van een performance. Een van de eerste experimenten om het publiek met beeld te overweldigen stamt uit de middeleeuwen. Kerklieden ontdekten de waarde van het beeld als leermiddel dat het publiek kon beïnvloeden en beschilderden de kerken. Als mensen een kerk betraden, liepen ze een nieuwe wereld binnen. Buiten de kerk zag het publiek toneelstukken over kerkelijke wonderen – de miracle plays. De verschillende Bijbelse verhalen werden tegelijkertijd en op meerdere podia uitgevoerd. Ze duurden soms een aantal dagen. Het publiek kon van podium naar podium lopen.
Een van de eerste uitvindingen waarbij afbeeldingen te zien waren zonder religieuze betekenis, was de camera obscura. De camera obscura was een verduisterde ruimte (of doos) waarbij in een van de wanden een klein gaatje is aangebracht. Het licht dat hierdoor naar binnenvalt, projecteert de afbeelding van de buitenwereld omgekeerd op de tegenoverliggende wand. Hoewel Artistoteles in de vierde eeuw voor Christus de eerste was die de mogelijkheden van de camera obscura zag, duurde het tot in de renaissance (13e tot 17e eeuw) voordat de installatie in zwang raakte. Het was in eerste instantie een hulpmiddel voor schilders, om hun schilderij perspectief te geven.
Al snel werd het instrument ingezet voor artistieke en miraculeuze experimenten. In speciale kamers konden mensen de wonderen van de wereld aanschouwen.
Ook de schilderkunst probeerde de kijker te imponeren. De renaissanceschilders deden dit door natuurkundige perspectiefregels toe te passen, waardoor een eindeloze ruimtewerking ontstond. De schilders uit de barok deden hier een schepje bovenop. Hun schilderijen vormden een weldaad en dichtheid van vertellingen, maar waren slechts vanuit een bepaald standpunt goed te zien. Het werk van de Panoramaschilders aan het einde van de 18e eeuw vormde een breekpunt in de kunstgeschiedenis. Voor het eerst verwezen de details in een schilderij niet meer naar één centraal punt op de horizon maar werden ze opnieuw gerangschikt en samengehouden door de horizon. Het Panorama, zoals het Panorama van Mesdag, probeerde de werkelijkheid zo natuurgetrouw weer te geven en zorgde voor een democratische manier van kijken, waarbij de kijker zelf kon besluiten waar zijn aandacht naar uitging. De toeschouwer kreeg het gevoel dat hij in twee ruimtes tegelijkertijd was, namelijk die van het schilderij en van de realiteit. Daarmee wilden de makers van Panorama’s hetzelfde bereiken als de makers van 3D-virtual realityruimtes, zoals CAVE (Cave Automatic Virtual Environment). De CAVE creëert een 3D-virtuele werkelijkheid waar bezoekers in verschillende omgevingen kunnen rondlopen. De bezoeker is omgeven door een visueel veld, op de wanden, het plafond en de vloer. Speciale 3D-brillen registreren waar de bezoeker naar kijkt, en door die bril is het mogelijk om tussen de virtuele beelden door te lopen.
CAVE, de 18e eeuwse Panorama’s en de hedendaagse VJ-performance proberen allemaal meerdere verhalen in één beeldervaring te vatten. Deze dichtheid van vertelling was volgens theoreticus Lev Manovich al zichtbaar bij Nederlandse landschapschilders uit de 17e eeuw en komt nu terug in het werk van de VJ. De toeschouwer, de clubbezoeker, kan zelf haar keuze maken uit alle verschillende verhaallijnen die de VJ door elkaar mixt.

Aanzet tot beeld- en geluidsynesthesie: Rook en lichteffecten in het Diorama
Als de eerste hausse van het Panorama voorbij is, zorgt in 1822 de Diorama, een uitvinding van Jacques Louis Mandé Daguerre, voor nieuwe opschudding. Voor het eerst worden er beelden geprojecteerd. In een zaaltje, het Dioramatheater, stonden grote schermen waarop het publiek verschillende beelden zag die elkaar langzaam afwisselden. Tussen de wisseling van de beelden kon het publiek zich ver-gapen aan rook- en lichteffecten die begeleid gingen met muziek. In het Dioramatheater was de eerste synesthetische performance een feit.
De volgende verbijsterende uitvinding was de Magische Lantaarn aan het eind van de 18e eeuw. Met de Magische Lantaarn kon je beelden projecteren op spiegels en op rook. Daardoor ontstond er een geheimzinnig en spannend schouwspel, dat versterkt werd door de muziek. Vooral in de romantiek (eind 18e, begin 19e eeuw) waren deze zogenaamde spookvoorstellingen erg populair. De Magische Lantaarn wordt vaak als voorloper gezien van de film. Maar door het live-aspect en de decors is het meer de voorloper van de hedendaagse VJ-act.

Schilderen met geluid
Andere synesthesie van beeld en geluid kwam uit een meer wetenschappelijke hoek. In 1725 schrijft Louis-Bertrand Castel over de ‚clavien oculair‘, het licht- of kleurenorgel. Hij onderzocht de relatie tussen licht en geluid. Castel deed zijn onderzoek vanuit de natuurkundige wetenschap, maar het had net zo veel te maken met psychologische en filosofische principes: “Not in dreams, but especially in the state of dizziness precedent sleep, or after listening to music for hours, do I feel the correspondence between colours, sounds and scents. It seems as if they all rise mysteriously from the same ray of light and, subsequently, reunify in an amazing concert.‘” Met zijn lichtorgel wilde hij schilderen met geluid. Hoewel Castel er nooit in slaagde om zijn lichtorgel echt te bouwen, zijn de ideeën niet ongemerkt voorbijgegaan. Ook nu zijn er nog veel kunstenaars op zoek naar een (wetenschappelijke) manier om met licht te componeren.
In de 18e eeuw zoeken performers ook in het theater en vooral in de opera naar nieuwe manieren om geluid en licht, dans en zang bij elkaar te brengen. In 1849 propageerde de Duitse componist Richard Wagner de idee van het Gesammtkunstwerk in zijn artikel ‚The Art-work of the Future‘. Wagner geloofde dat de toekomst van muziek, theater en de kunsten in de samensmelting van verschillende disciplines lag. Hij gebruikte zijn opera‘s als voorbeeld om ‘totaalomgevingen’ te creëren. Een paar jaar na de publicatie van zijn artikel opende Wagner zijn eigen theater ‘het Festspielhaus’ dat het model van een moderne concert- en theaterzaal werd.
Hoe werden al deze beeld- en geluidexperimenten tussen de middeleeuwen en de 19e eeuw ontvangen? Men vond de ideeën en uitvindingen belangrijk, maar ze zagen het niet als kunst. Kunstcritici vonden dat de synesthetische performances de werkelijkheid niet in haar ware essentie weergaven, het was maar een bedrieglijk en misleidend beeld van de wereld. Alleen tijdens de romantiek werden de installaties gewaardeerd als kunstwerken waarbij je kon wegdromen. Als het realisme hoogtij viert in de 19e eeuw, worden vooral de technische aspecten van de voorstellingen benadrukt. Maar veel mensen zagen het als een bevestiging van het verval van culturele waarde. Desondanks wonnen de magische machines en haar wondere werelden aan populariteit.

Massificatie
Aan het eind van de 19e eeuw doen print, fotografie, telefonie en film hun intrede. Die technische vooruitgang zorgde voor een directe toegang voor het publiek tot verschillende media. En dat beïnvloedde de manier waarop kunst werd gemaakt, bekeken en verspreid. Mensen konden makkelijker met elkaar communiceren en er was meer gelegenheid om ideeën uit te wisselen. Oude tradities werden opnieuw bekeken en de maatschappij zelf kwam onder vuur te liggen. In de eerste decennia van de 20e eeuw zorgden de nieuwe inzichten, idealen en ontwikkelingen voor een explosie in het gedachtegoed. Tegelijkertijd ontstond er voor het eerst een massa-economie.
De kunst reageerde op de veranderingen. Ze zette zich af tegen de massificatie van een veranderende maatschappij en vooral tegen de institutionalisering van de kunst. In die tijd kwamen de Dadaïsten, de Symbolisten, de Futuristen en de Surrealisten op. Die stromingen kwamen met verschillende doelen en vormen, maar hun boodschappen overlapten: ze wilden het publiek een andere wereld tonen waarin kunst onderdeel was van het dagelijks leven. Ze betrokken het publiek bij hun werk. De mensen moesten soms actief deelnemen en zo probeerden de kunstenaars contact te maken met het dagelijks leven. De experimentele stromingen schoten hun doel deels voorbij: in plaats van los te komen van de kunstwereld, verwelkomde de ‘geïnstitutionaliseerde’ kunstwereld de nieuwe benaderingen juist. De pogingen om te shockeren werden gezien als verfrissende nieuwe ideeën.

Happenings en Intermedia

Na de Tweede Wereldoorlog intensifieerden de acties om publiek en maker dichter bij elkaar te halen. Componist John Cage en kunstenaar Allan Kaprow vonden dat het publiek zelf actief deelgenoot moet zijn om de meest intense ervaring te krijgen. Ze organiseerden ‚Happenings‘ waarin ze theatrale conventies overboord gooiden. Ze werkten toe naar een synesthetische performance die decennia later in elke discotheek gemeengoed zou zijn. Een belangrijk aspect van deze performances was dat ze niet bedoeld waren als kunst. De term ‚Happening‘ was ook gekozen om de rol en het doel ervan te onderstrepen en vooral om enige connotatie met de kunstwereld te vermijden. Een aantal hedendaagse media-theoretici trekt een rechtstreekse lijn van happenings van Cage en Kaprow naar de interactieve computerinstallaties van nu. De happening vormde de kiem waaruit later de DJ- en VJ-performances uit de jaren tachtig voortkwamen.
Met de introductie van de televisie en de videocamera raakten kunstenaars meer geïnteresseerd in de verbinding tussen kunst en techniek dan in de relatie tussen kunst en leven. ‚Intermedia-evenementen’ namen de plaats in van de Happenings. Het publiek kon tijdens een intermediaperformance filmbeelden in werking stellen en projectoren activeren, waardoor de beelden en het tijdsverloop tijdens een voorstelling veranderden. Hoewel dit veel genot en spanning teweegbracht, was het vooral een zintuiglijke ervaring. Het gaf geen totale illusie waarbij de bezoeker in een andere wereld terechtkwam. Dergelijke intermediaperformances bouwden voort op de tradities van Diorama‘s en Magische Lantaarnshows. De performers hadden wel politieke idealen. Ze probeerden mensen wakker te maken en uit hun luie stoel te halen, door te laten zien dat er meer gedaan kon worden met nieuwe technieken dan de populaire (massa)cultuur liet zien.

De Velvet Underground en de Psychedelische beweging
Andy Warhol was één van de eerste kunstenaars die een brug sloeg tussen de populaire cultuur en de kunstwereld. Ter introductie van de Velvet Underground met Nico in Amerika maakt Warhol in 1966 een speciale show the ‘The Exploding Plastic Inevitable‘ (EPI). Deze show was een duidelijke stap voorwaarts naar de huidige DJ/VJ-acts: gedurende het hele concert was er in de hele zaal een samengaan van geluid, beeld, kleur en licht. Filmmaker Ronald Nameth maakte een cinematografisch eerbetoon aan Warhols EPI waarin hij de ervaring tijdens de show zowel in vorm en inhoud wist te treffen. Nameth maakte de film in de traditie van de synesthetische cinema. Synesthetische films bestaan uit verschillende lagen en fragmenten waarbij elk beeld continue verandert in andere beelden. De beelden worden zo geordend dat er steeds nieuwe betekenissen ontstaan. Veel VJ’s doen tegenwoordig hetzelfde.
Terug naar Andy Warhol. Hij richtte zijn eigen studio op, de ‘Factory‘. Hij gaf er feesten waar het publiek zich vermengde met de performers, het onderscheid tussen beide was nauwelijks zichtbaar. Warhols feesten en de Psychedelische Beweging uit de jaren zestig hadden veel met elkaar te maken. De Psychedelische Beweging is vooral bekend om haar experimenten met hallucinerende middelen, en is belangrijk geweest voor de vorming van een ware jeugdcultuur met een eigen identiteit en kracht. In de jaren zestig veranderde Amerika, zowel cultureel als politiek. De beweging voor gelijke rechten, de rassenrellen, de oorlog in Vietnam en de moord op Kennedy zorgden voor veel verontwaardiging. Vooral de jonge generatie begon zich tegen het systeem te keren. Pop- en rockmuziek – vaak geïnspireerd op LSD en marihuana – speelden een belangrijke rol in het bevrijdingsproces. Het gemeenschapsgevoel onder de jongeren die deel uitmaakten van deze counterculture was enorm. Ze streden voor eenzelfde doel: afzetten tegen de heersende opvattingen en werken aan een eigen, nieuwe toekomst. Hoewel de Psychedelische Beweging doorliep tot in de jaren zeventig, was een deel van de harde kern toen al afgehaakt. Maar de experimenten van Warhol en anderen hadden hun vruchten afgeworpen: de eerste discotheken waren geopend met lichtshows, rookeffecten en vloeistofdia‘s en films werden getoond. De eerste VJ’s waren geboren…

Van Synthesizer tot House
De komst van de synthesizer in 1977 zorgde ervoor dat de nadruk weer op de muziek kwam te liggen. Het beeld schoof wat naar de achtergrond. Pas na de introductie van de housemuziek in 1985 kreeg ‘het beeld’ haar status terug in de discotheek. De wortels van de housemuziek lagen in het geloof in een zelfbewustzijn en gemeenschapsgevoel: “It was a personal liberating experience with a slow, primal beat and rhythm. My house is your house and your house is mine. House culture was family. House was about people getting together and communicating.” Hoewel de housebeweging veel overeenkomsten had met de psychedelische beweging uit de jaren zestig, pasten de grote feesten (raves) zich aan aan een veranderde maatschappij. De bemoeienissen van de commercie en massacultuur zorgden ervoor dat de intenties van de vroegere feesten verloren ging. De ideologie was verdwenen. In het begin leefde nog het gevoel van samenzijn, geluk en liefde, maar de massale raves in de jaren negentig waren vooral een reactie op de verslechtering van de maatschappij. Een plek om woede en frustratie kwijt te raken, al was het maar voor even. Sommige mensen claimen dat de komst van een VJ ook een opvulling van een leegte was. Het leek noodzakelijk om beelden bij de muziek te maken; elektronische muziek was niet interessant om naar te kijken, er was immers geen band, zanger of videoclip om het publiek te vermaken. Hoewel deze veronderstelling door veel anderen wordt tegengesproken lijkt de hedendaagse club-VJ het meest aan deze beschrijving te voldoen: een VJ die haar beelden afstemt op de muziek en de omgeving.
Maar de eerste generatie VJ‘s lijken idealen te hebben en willen inhoud binnen een nieuwe presentatie brengen. Vanaf eind jaren 80 kwamen er meerdere VJ’s op het toneel, allemaal om een real-time verloop tussen beeld en geluid te realiseren. Ze verschilden in hun gevoel voor esthetiek, hun doel en het materiaal. Micha Klein wil bijvoorbeeld een synthese van schoonheid scheppen, zijn positieve iconen “will give you a boost and a positive vibe for the whole day”. Met behulp van de computer maakt hij duizelingwekkende kleuren en dansende vormen. Zijn werk reflecteert de nostalgie voor de psychedelische beweging uit de jaren zestig toen alles ging over ‚love, peace and happiness‘. Veel van zijn animaties zijn verbonden aan bepaalde thema‘s die in samenspraak met de DJ bedacht worden. Zijn dansende animatie van een pilletje, ‘Pillman’, werd een icoon voor de housegeneratie. Hoewel het werk van Klein vaak afgedaan wordt als oppervlakkig en commercieel is het van groot belang geweest voor de VJ-performance en de ontwikkeling van de digitale fotografie.

Extra-real
Het Rotterdamse collectief Cut-Up en D.U.M.B. (Dutch United Media Base), opgericht door onder andere Geert
Mul en Titus van Eck werkten vanuit een andere visie dan Micha Klein. Cut-Up vormde de commerciële kant en D.U.M.B. was opgericht voor de experimentele performances waarbij ze een brug legden tussen het publiek, de muziek en de visuals. De leden kwamen vanuit verschillende achtergronden en wilden specifieke omgevingen creëren. Er hingen camera‘s en microfoons in de zaal en zij mixten die beelden en geluiden met hun eigen muziek en visuals. Zo probeerden ze het publiek bij hun optredens te betrekken, net zo als de intermedia-experimenten uit de jaren zestig. Maar in plaats van de effecten van de massamedia te laten zien wilden zij vooral bestaande presentatie set-ups doorbreken. De ruimte werd opnieuw ingedeeld waarbij het podium met de VJ in het midden van de zaal kwam te staan en daaromheen de schermen met de visuals. Ze wisselden film, lezingen en feesten af en hoopten daarmee de ervaring van het publiek te versterken. “Door de traditionele context weg te halen, zet je mensen op het verkeerde been en hoop je dat daardoor de ervaring sterker zal zijn.”
Gerald van der Kaap wordt gezien als de ‚godfather‘ van de Nederlandse VJ-cultuur. Ook hij probeert het beeld steeds op een andere manier te presenteren. Door muziek, beeld, geluid, omgeving en licht met elkaar te verbinden probeert hij een totaalomgeving te verwezenlijken. Af en toe laat ‘shockeert’ hij het publiek door het beeld uit te zetten of door zijn eigen geluiden door de muziek te mixen. De installaties van Van der Kaap zijn nauw verwant aan zijn VJ-optredens. Hij wil “an extra-real environment” realiseren “through high-tech ritual using digital media and transforming them into another dimension. It is an initiation into the unknown world of the senses where the audience, freely floating in space, has random access to what might be called ‚new techno-transcendence’.”

Videoschermen langs de dansvloer
In haar beginjaren diende de housemuziek vooral voor een collectieve euforie. De ‚incrowd‘ deelde een groot geheim dat onbegrijpelijk was voor buitenstaanders. Een hele generatie deed mee met illegale ondergrondse feesten en nachtelijke ontmoetingen op verlaten terreinen waar tot in de vroege uren gedanst werd. Toen ze moe was van de achtervolgingen van politie en locale politici, keerde de dansscène vanaf midden jaren negentig terug naar de clubs. De massamedia merkte de controversiële DJ- en VJ-performances op en presenteerde ze aan een steeds groter groeiend publiek. Hierdoor, en door het goedkoper worden van digitale technologie, was al snel in iedere club een DJ en VJ te vinden.
De elektronische muziek groeide mee met de technologische vooruitgang; er ontstonden nieuwe geluiden en genres. De kunst van de VJ werd midden jaren negentig al even divers als de verschillende stijlen in de muziek. Ze maakten steeds meer gebruik van de computer om hun materiaal live op verschillende manieren te veranderen en te organiseren. Het belang van de ruimte en de context van de presentatie verschoof letterlijk naar de zijkant. Aan de rand van de dansvloer verschenen grote videoschermen. Deze ontwikkeling stond in groot contrast met eerdere synesthetische performances waarbij beeld en geluid ingezet werden om mensen met elkaar in contact te brengen. De achtergrond van de VJ zelf was ook veranderd. De pioniers uit de Nederlandse VJ-scene kwamen van kunstacademies en werkten veelal alleen of met soortgelijke kunstenaars. De tweede generatie vormde collectieven die bestonden uit computerprogrammeurs, grafisch ontwerpers, filmmakers en muzikanten. Deze collectieven zijn een goed voorbeeld van de interdisciplinaire samenwerking die haar hoogtepunt halverwege de jaren negentig beleefde.

Cross-over Collectieven
Jeroen Hofs (Eboman) produceerde de ultieme cross-overs. Hij gebruikte samples van rock, house, funk, hiphop en jazz om tot nieuwe geluiden te komen. Hetzelfde principe paste hij toe bij zijn videobeelden. Evenals het geluid werden de beelden in stereo weergegeven. Het resultaat was een totale onderdompeling in zijn verhaal. Met behulp van sensoren op zijn armen kon hij zowel de beelden als het geluid zelf aansturen. Deze multidisciplinaire optredens zorgden voor een synesthetische performance.
Net als Eboman verbindt ook het multi-mediacollectief Pips:Lab verschillende disciplines op een nieuwe manier met elkaar. Pips:Lab wil een interactie met het publiek teweeg te brengen. Pips:Lab werkt in de traditie van John Cage en Allen Kaprow en de intermedia-evenementen waarbij het succes van een performance afhangt van de participatie van het publiek. Maar werd het publiek tijdens Happenings nog gezien als materiaal, bij Pips:Lab krijgen de bezoekers zelf middelen in hun hand waarmee ze direct invloed kunnen uitoefenen op het beeld. De bezoeker moet de visuals voortbewegen en bepaalt wat het wel en niet wil zien. Deze aanpak past in een tijdsbeeld. De ontwikkelingen van games, cd-rom’s en internet hebben de kijker veranderd in een actieve gebruiker. Het beeld is niet langer statisch maar beïnvloeden. De performances van Pips: Lab brengen oude toneelstukken uit de middeleeuw- en weer tot leven waarbij de kijker kon kiezen uit de verschillende ensceneringen die tegelijkertijd plaatsvonden. Maar in plaats van toeschouwer, is het publiek nu één van de spelers geworden.

Onbewuste geurprikkelingen
In het begin van de 21e eeuw is er een hernieuwde belangstelling voor het reukorgaan. Het VJ-collectief Barkode wil een synesthetische performance creëren door het onderbewuste te prikkelen. Hun performances zijn een opeenvolging van ontmoetingen tussen woorden, beelden en geluiden. De toeschouwer wordt achtergelaten in een leemte zonder tijd, ruimte of emotie: “WARM PARANOIA, sizzling colours, smells, sounds and forms, pleasantly dosing off to find yourself in an oppressive dream”. Na verloop van tijd ontstaan er meerdere verhaallijnen, die het weliswaar niet veel duidelijker maken: vindt de kijker zelf het plot, of leiden de beelden en muziek naar iets anders? Barkode omschrijft de performances als ‚confusing constructivism‘ dat geïnspireerd is op het onderbewuste. Door het gebruik van verschillende geuren verhogen zij de sfeer van de avond. De performances zijn een postmoderne versie van de experimenten uit de romantiek en Sensurroundfilms aan het begin van de twintigste eeuw, waar geurkaarten werden uitgedeeld aan het publiek die de sensaties in de film moesten verhogen.
De VJ-groep Snowcrash maakt voor hun performances gebruik van het internet. Met live-streaming internetverbindingen brengen ze verschillende VJ‘s van over de hele wereld bij elkaar. De beelden worden gemixt met de muziek op het podium en geprojecteerd op grote schermen. Om de verschillen tussen de culturen te benadrukken kunnen de VJ‘s reageren op bepaalde thema‘s. Deze variëren van politieke statements tot beelden uit de heersende populaire cultuur. De muzikale en visuele strijd wordt uitgevochten op een podium, maar mensen kunnen de show ook thuis op het internet live volgen. Snowcrash laat zien dat de VJ-performance tegenwoordig niet alleen een verbintenis van verschillende disciplines is, maar ook een overschrijding van nationale grenzen.

Eigen festivals
In de 21e eeuw is het aantal VJs enorm toegenomen. Hoewel clubs nog niet tot een totale 3D- of virtuele wereld omgetoverd zijn, lijkt slechts een kwestie van tijd. Bij sommige avonden is de aanwezigheid van het publiek onmisbaar onderdeel van de show, met camera‘s of sensoren geven zij mede vorm aan de videobeelden. Ook internet begint een steeds grotere rol te spelen. VJ-performances zijn zowel reëel als virtueel op het internet te volgen. En niet alleen de VJ‘s zijn in aantal toegenomen, ook het publiek bestaat niet meer uit enkele insiders; de synesthetische ervaring is overgenomen door de massacultuur. Tegenwoordig is er geen opening meer van een winkel, een tentoonstelling of een café zonder de aanwezigheid van een DJ en VJ.
De standaardisering van uitgaansclubs heeft gezorgd voor een eenvormigheid in VJ-performances. Als reactie hierop vertrekken VJ‘s uit clubs (terug) naar de kunst of ze organiseren hun eigen festivals waar het experiment hoogtij viert. Anno 2007 zijn er drie hoofdstromingen binnen de VJ-wereld te herkennen: de club-VJ, de kunst-VJ en de festival-VJ. De club-VJ‘s onderscheiden zich door hun vormentaal: van abstract, 3D, found footage, narratief tot grafisch. De festival-VJ is meer gericht op de presentatie van zijn werk als onderdeel van een bepaalde sfeer. Deze VJ is vooral geïnteresseerd in het totaalconcept: het Gesammtkunstwerk. De kunst-VJ, tenslotte, is vooral bezig met de verhouding tot het geluid. Geluid en beeld smelten in handen van de kunst-VJ vaak samen tot een geheel waarbij het geluid het beeld aanstuurt en andersom. Deze vorm past in de traditie van de synesthetische performance, beeld en geluid zijn onlosmakelijk verbonden waarbij de omgeving het liefst zo min mogelijk afleidt.

De toekomst?
De VJ dringt ook andere disciplines binnen; de reclame, de film en in de kunst. Zelfs het traditionele theater en de dans zoeken aansluiting bij VJ’s en andere beeldmakers om te experimenteren met beeld. Het onderscheid tussen autonome en toegepaste kunst en commerciële- en kunstwereld zal steeds vager worden.
De techniek staat niet stil; de eerste schermen in de openbare ruimte zijn al voorzien van beeld door VJ‘s en hologrammen dansten al over een podium. Nieuwe technieken zorgen voor nieuwe uitdagingen, het is echter duidelijk dat hiermee de kwaliteit niet automatisch verbetert. De impact van de visuals staat of valt bij een goed concept en verhaal dat afgestemd is op de muziek en de ruimte.
Het is moeilijk te voorspellen hoe de toekomst van de DJ/VJ-performance eruit ziet. Maar zolang een enthousiast publiek bereid is om door de spiegel heen te stappen ‚into an unknown world of silvery mist‘, lijken de mogelijkheden eindeloos.

www
Micha Klein, www.michaklein.com
Geert Mul, www.geertmul.nl
Eboman, www.samplemadness.nl
Captain Video, www.captainvideo.nl
Pips:Lab, www.pipslab.nl
Elsbeth van Noppen, www.nyo.nl
Snowcrash, www.snowcrash.nl

Open source uit de Hollandse klei

Auteur: Eric Kluitenberg

Stel dat Coca Cola op haar website schrijft: dit zijn de ingrediënten, dit is het recept. Doe er mee wat u wilt; enjoy. Dat zou nog eens open source zijn. Open source is een filosofie, een beweging, een praktijk, die vindt dat je meer bereikt als je kennis niet voor jezelf houdt, maar open stelt. Zodat anderen op jouw product kunnen voortbouwen om het voor eigen gebruik te perfectioneren. Dankzij internet neemt open source een grote vlucht. Communities van specialisten sleutelen samen aan het lekkerste bier, een medicijn tegen vogelgriep en natuurlijk aan gratis software zoals Linux, Firefox en OpenOffice, Nederland loopt bij de ontwikkeling van open-sourcesoftware achter de troepen aan, constateert mediatheoreticus Eric Kluitenberg.

Er wordt in Nederland veel gepraat over het ontwikkelen van open-sourcesoftware, op internetfora over open source, in de Holland Open conferentie en op vele andere plekken, maar concreet komt er niet zo veel komt van de grond als in potentie denkbaar zou zijn. Er zijn weliswaar de internationale open-sourcesoftwareprojecten waar ook veel Nederlanders aan meewerken. Maar er zijn slechts weinig grote initiatieven die puur aan de Nederlandse bodem ontsproten zijn. Dat is jammer. Nederland zou een trendsetter moeten zijn als het over technologie gaat, geen trendvolger. Een actievere en eigengereide open-sourcecultuur zou Nederland, internationaal koploper in de toepassing van breedbandaansluitingen, niet misstaan. Ook in het gebruik van open-sourcesoftware is in Nederland maar mondjesmaat. Bedrijven, overheid, de zorg, het onderwijs en ook de cultuursector maken eerder nog bij uitzondering dan als regel gebruik van de gratis software. Ze zijn voorlopig nog met licenties in de weer.

VOC-mentaliteit
De meest basale verklaring voor het feit dat Nederland achterloopt op andere landen, is wellicht dat er geen handel zit in open-sourcesoftware; het is immers gratis. En dat spoort niet met de Hollandsche handelsgeest. Van het maken van open-sourceprogramma’s word je niet rijk, maar de software kan indirect wel economische voordelen opleveren. Open-sourcesoftware is innovatief en kostenbesparend. Niet alleen omdat de software gratis is, maar ook omdat je de software heel specifiek kan aanpassen op een organisatie. Open-sourcesoftware is van nature een product dat een sterk secundaire of afgeleide economische betekenis heeft. Niet de ontwikkeling van de software zelf, maar haar toepassing is van waarde. Ik heb het dan behalve over de ontwikkeling van gespecialiseerde diensten bijvoorbeeld over de innovatieve producten en de integratie van open standaarden in nieuwe (media)-technologie. Zonder de onderliggende open-sourcesoftware waren die niet mogelijk geweest. Maar dat maakt de ontwikkeling van de software zelf nog niet tot een economisch rendabele onderneming. In den beginne werd open source wel eens vergeleken met een gift-economie: zolang iedereen elkaar cadeautjes bleef geven in de vorm van bijdragen aan de open-sourcesoftware, dan zou de waarde exponentieel stijgen. Inmiddels is er een rationelere grondslag gevonden voor het ondersteunen van de ontwikkeling van open-sourceprogrammatuur. Het collectieve of publieke belang staat daarbij centraal. De redenering is simpel: Als het zo is dat open source software een cruciale (want kostenbesparende en flexibiliserende) rol kan spelen in de ontwikkeling van nieuwe innovatieve diensten en producten, is het belang van open source software evident. Echter, omdat de ontwikkeling van de software zelf het duurste en economisch meest onrendabele deel van het proces is, zullen individuele marktpartijen alleen bij uitzondering voorzien in de ontwikkeling van open source software – ze zullen meer geneigd zijn alleen bestaande open source software te gebruiken in plaats van nieuwe te ontwikkelen. Er ligt hier dus een taak voor publieke instituties, consortia en eventueel voor grote bedrijven om de ontwikkeling van open source software mogelijk te maken.

Software is cultuur
Het blijft natuurlijk de vraag of Nederland toch niet een maat te klein is voor grootschalige open-sourcesoftwareprojecten. Moeten we in dit verband niet eerder op een Europese schaal denken? Ik vind van niet. De kracht van Europa is immers het policentrische karakter en de culturele diversiteit. Dat geldt ook voor software. Want software is meer dan een functionele verzameling objecten en processen. Software bepaalt hoe informatie tot ons komt en hoe we met elkaar communiceren; denk bijvoorbeeld aan de weblog en de videochat. Software heeft dus invloed op hoe we met elkaar omgaan en dat maakt software een cultuuruiting van de eerste orde. Net zoals iedereen het meer dan logisch vindt dat er verschillende kranten en tv-zenders zijn in een pluriforme samenleving, zo zou er ook in softwareland meer ‘elk wat wils’ moeten zijn. Diversiteit van software is een essentiële vorm van culturele diversiteit. Daar kunnen quasi-universele softwareplatforms niet in voorzien.

VPRO en MMBase
MMBase is een van de weinige grote en continue open sourceprojecten van Nederlandse bodem. MMBase is een content management systeem (cms) met open broncode. Het cms heeft multimediafuncties en een geavanceerde portaalfunctionaliteit. Niet zo gek, die nadruk op media, want de software is voortgekomen uit een langdurig ontwikkelingstraject van VPRO Digitaal, de afdeling voor nieuwe media van de omroep-organisatie. In mei 2000 besloot de VPRO om het systeem als open-sourcesoftware vrij te geven en richtte ook een stichting en een kleine ondersteuningsorganisatie op. De omroeporganisatie schemert nog steeds door in de laatste 1.8-versie. MMBase komt het best tot haar recht op sites met veel audio en video. Nu.nl, 3voor12.nl en radio538.nl zijn voorbeelden van sites die met MMBase gebouwd zijn. Als je een website wilt maken met een wiki-achtige structuur, is MMBase minder geschikt. Zo zie je dat het bij de keuze van een softwaresysteem belangrijk is om te weten in welke context de software ontwikkeld is. Een andere reden waarom er niet genoeg software ontwikkeld kan worden, is het tegengaan van monopolievorming.

Voortbouwen op MMBase: CultureBase
Mijn eigen ervaring met de ontwikkeling van open-sourcesoftware komt voort uit mijn werk voor het Amsterdamse Cultureel centrum De Balie. De Balie was op zoek naar een applicatie voor culturele instellingen met een snel wisselende live-programmering. We kozen ervoor om verder te bouwen op MMBase. Veel van de functionaliteiten van dat systeem zijn handig voor podiumorganisaties, conferentiecentra, multidisciplinaire cultuurcentra en muziekclubs. Het ontwikkelproces was veel complexer en langduriger dan we hadden gedacht. Maar dankzij steun van de VPRO, ontwikkelaars uit de MMBase-gemeenschap en een eenmalige regeling voor pilotprojecten in het programma ‘Nationaal Actieplan Elektronische Snelwegen’ is CultureBase er toch gekomen. CultureBase is inmiddels een stabiele en veelzijdige applicatie voor cultuurprogrammering, geavanceerde discussie- en communicatiemogelijkheden en het vertonen van audio en video (de MMBase-factor). In samenwerking met de MMBase-organisatie zijn we nu bezig met de voorbereidingen voor de open-sourcerelease van CultureBase. Die is gepland in het najaar van 2007.

Chatboxtalkshow
Door de meerjarensubsidie van het Nationaal Actieplan Elektronische Snelwegen had De Balie veel mogelijkheden om te experimenteren. Ze hebben The Living Archive opgezet. In dat project onderzoekt De Balie nieuwe manieren om het publiek langs elektronische weg actief en ‘live’ te laten deelnemen aan cultuurprogrammering. We experimenteren met programmaformats waarin mensen kunnen reageren op live-uitzendingen op internet via de chat, SMS en via de webcam. Verder doet De Balie onderzoek naar de vraag hoe het internet als immens archief te verbinden is met het internet van de live action: streaming media, online polls, communicatie via het mobieltje en multi-useromgevingen (o.a. live-uitzendingen in een virtueel theater in Second Life). Vandaar de naam: The Living Archive. De formats testen we in live programma’s in De Balie, soms ook samen met de Amsterdamse lokale zender SALTO (inclusief de avatar kijkers in Second Life die soms het Amsterdamse televisiepubliek mogen toezwaaien!). De resultaten van die exeperimenten publiceren we het uitiendelijk open source via Mmbase.org en op onze website (www.debalie.nl/culturebase). Alles komt samen in de Cool Media Hot Talk Show: een do-it-yourself talkshow die via het web wordt geprogrammeerd door het publiek zelf en vervolgens live wordt gestreamd op internet. Het publiek kan in een speciaal interface tegelijk de show bekijken en vragen stellen. Andere kijkers beoordelen de waarde van de vraag. De vragen met de meeste bijval worden in de live talkshow door een robot moderator aan de sprekers voorgelegd.
Dat klinkt mooi, en dat is het natuurlijk ook wel, maar als je de grote lijnen van open source in Nederland bekijkt, is het nog niet om vrolijk van te worden. MMBase is – zover ik kan overzien – nog steeds het enige grote project van eigen bodem. Er zou onderhand een bloeiend landschap moeten zijn van softwareprojecten die uit de Hollandse bodem spruiten en hoog de hemel in groeien. Waar zijn de andere initiatieven? En nog belangrijker, waar is het beleid, het geld om innovatie mogelijk te maken?

Innovatiestrategie
Het is de hoogste tijd voor structureel beleid om innovatieve open-sourceprojecten te ondersteunen. Open source dient een groot publiek belang en er kunnen afgeleide economieën ontstaan die op hun beurt weer een belangrijke impuls geven aan innovatie en economische ontwikkeling. Het is jammer het Nationaal Actieplan Elektronische Snelwegen een uitzondering was. Zo’n stimulans moet de regel zijn in Nederland!
De economische effecten van open-sourcesoftware zijn pas op de middellange termijn te verwachten en ontstaan altijd in afgeleide economieën. Nooit of vrijwel nooit in de softwareproducten zelf. Helaas lijkt het er op dat de Nederlandse innovatiestrategie gericht is op kortetermijnsuccesjes. Nederland heeft een visie nodig, een vergezicht voorbij het kosten- en batenplaatje. Ook continuïteit is belangrijk, wil open source gemeengoed worden. Open-sourcesoftware is traditioneel het terrein van vrijwilligers. Maar het is niet eerlijk om al het werk aan zwoegende idealisten over te laten, terwijl er in tweede instantie weldegelijk geld mee te verdienen is. Bovendien zijn vrijwilligers een onstabiele factor; als het erop aan komt, gaat betaalde arbeid toch voor het zolderkamerwerk. Om de continuïteit van grote open-sourceprojecten zeker te stellen zijn er organisaties nodig die de kar willen trekken. Ik vermoed dat commerciële organisaties niet staan te springen om de onrendabele gratis software te ontwikkelen. Blijven over; de publieke instanties… En misschien enkele grote bedrijven die het zich kunnen permitteren mankracht vrij te maken. Als we nu beginnen, moeten de gunstige effecten van de open-sourcebeweging over drie tot vijf jaar te meten zijn.

Alleen de pudding
In 2005 is het Holland Open Software Platform opgericht. Dit Platform wil alle open-source-initiatieven op een plek verzamelen en is ook belangenbehartiger van het open-gedachtegoed. Ik verwacht veel van Holland Open. Het kan een belangrijke rol spelen in het aanwakkeren van een structureel beleid voor open-sourcesoftware. Het platform zou ook een impuls moeten geven aan het opzetten van eigen Nederlandse open source-softwareprojecten. Het is tijd de mooie woorden achter ons te laten. Het is tijd ook echt iets te doen. Te maken. Te ontwikkelen! Alleen de pudding levert het bewijs! Het platform organiseert jaarlijks de Holland Open Software Conferentie voor ontwikkelaars van open-sourcesoftware. Trouwens, MMBase is een van de drijvende krachten achter Holland Open. Heel goed, maar ook benauwend; waar zijn de anderen die open source serieus nemen?
MMBase is de grootste, maar niet het enige open-sourceproject van Nederlandse bodem. Interessant is de internationale, maar in Nederland gestarte website FLOSSmanuals. Op deze website staan handleidingen voor de meest gangbare open-sourcesoftware, zoals OpenOffice, Firefox en Linux Commands. De handleidingen zijn geschreven en worden doorlopend aangevuld door gevorderde softwaregebruikers. Gebruikers kunnen de handleidingen downloaden in Nederlands en Engels. Handig is ook de mogelijkheid om handleidingen te mixen, hoofdstukken te selecteren en de nieuwe samenstelling als pdf op je computer op te slaan.

Open Content
Behalve over open source, hoor je ook veel over open content. De twee zijn aan elkaar verwant. Open source geeft de open broncode of de patenten vrij, waardoor iedereen met het materiaal aan de slag kan. Bij open content halen de makers het copyright-c’tje van hun werk af. Hun artikelen, foto’s, muziekstukken en films zijn dan niet meer auteursrechtelijk beschermd. De open-contentbeweging zegt als het ware: je mag alles met mijn materiaal doen. Vaak hebben ze wel restricties, zoals: je mag mijn muziek gebruiken en veranderen voor je eigen creatie, maar alleen als je er zelf geen winst op maakt. Hiervoor zijn de creative-commonslicenties in het leven geroepen, een sociaal alternatief voor copyrights. De filosofie achter open source en open content is dus voor een deel hetzelfde. Er is wel een belangrijk verschil. Software kan ook zonder extra economische injectie op hoog niveau geproduceerd worden, omdat de software nooit af is. En software kan uiteindelijk – als instrument – weer geld opleveren. Intellectuele producten zijn geen instrument, maar een eindproduct. Om professionele kunst en journalistiek in stand te houden, blijft financiële ondersteuning noodzakelijk. Anders zijn er straks alleen nog maar ongereguleerde amateurproducties of zijn we overgeleverd aan het huidige uiterst restrictieve en krampachtige intellectuele eigendomsmodel, dat een kunstmatige beperking voor de culturele ontwikkeling en vrije uitwisseling van beelden en ideeën vormt. Er is nog heel wat te doen voor creative commons…

Open-source-auto
Er bestaat ook al open hardware. Want, waarom niet ook het kookboek voor onze hardwareproductie open op tafel leggen? In Nederland wordt druk gesleuteld aan de allereerste open-source auto ter wereld. Het eerste model werd op de Auto RAI gepresenteerd. De ‘auto van de toekomst’ is vervaardigd door studenten van technische universiteiten. De auto heet c,mm,n (spreek uit: common) en is ontwikkeld in een online gemeenschap, vergelijkbaar met Wikipedia. De bouwtekeningen en blauwdrukken van c,mm,n zijn vrij beschikbaar op internet, zodat iedereen zijn eigen auto kan bouwen en eigen ideeën en aanpassingen op de site kan toevoegen. Het project is een initiatief van stichting Natuur en Milieu en hecht dan ook veel belang aan het gebruik van duurzame materialen en productieprocessen bij de fabricage van deze auto.

Ruimteschip naar elders?
De wereldbevolking groeit, het klimaat verandert, er komen nieuwe economieën op die de ecologische uitputtingslag alleen maar zal verergeren. Tot nu toe is de noordelijke hemisfeer volstrekt onwillig om haar levensstijl wezenlijk aan te passen aan nieuwe ecologische realiteiten. Men stopt veel energie in het ontwikkelen van e-koelkasten die het aantal pakken melk tellen, maar het moge duidelijk zijn dat er meer op de technologische agenda staat! Want het antwoord op de milieuproblematiek zal toch deels van de techniek moeten komen. Ook daarom is het zo belangrijk om de schotten te slechten tussen de creatieve geesten uit verschillende organisaties en universiteiten. Blijf niet op dat patent zitten! Kennis, software en hardware moeten radicaal opengesteld worden, zodat iedereen mee kan bouwen aan een nieuwe toekomst. Als we dat niet doen, kunnen we maar beter een groot ruimteschip gaan bouwen en ons heil elders zoeken – out there…..

www
www.mmbase.org
www.debalie.nl/culturebase
www.hollandopen.nl
www.hosc.nl
www.opensourcenieuws.nl
www.flossmanuals.net
www.creativecommons.nl
www.autoindetoekomst.nl

Iedereen kan schrijven

Auteur: Theo Ploeg

Hoe komt het toch dat Nederland ten opzichte van landen als Engeland, Duitsland, Frankrijk en de VS geen echte traditie heeft in het schrijven over popcultuur? En waarom hebben de popjournalistieke expedities op internet zich nog steeds niet weten te ontworstelen van hun grote broer, de traditionele, papieren media? Popjournalist Theo Ploeg laat heden en verleden van de Nederlandstalige popjournalistiek – op papier en op internet – aan zijn geestesoog voorbijtrekken. Zijn oordeel is hard, maar, hij houdt hoop.

“Kunnen we er in Nederland niets van? Of is het medium tijdschrift op papier ten dode opgeschreven? Ik denk dat het antwoord zich op je beeldscherm bevindt”, schrijft Omar Muñoz-Cremers in zijn maandelijkse column in KindaMuzik, webzine over popmuziek. Hij geef zelf het antwoord. Internet heeft niet alleen de toekomst, zo betoogt hij, dat is het allang. Om vervolgens de loftrompet te steken over de Nederlandse weblogs die over popmuziek schrijven. Nee, volgens Muñoz-Cremers is de situatie meer dan duidelijk: “De popbladen zijn chronisch ongezond, het schrijven zelf floreert als nooit tevoren.” Op het internet dus.
Een beetje gelijk heeft hij wel. Met de traditionele popmuziekbladen in Nederland gaat het alles behalve goed. Er zijn weliswaar twee nieuwe rocktijdschriften bijgekomen – Wah Wah en Revolver – en sinds kort ligt Beyond in de schappen, een glossy over wereldmuziek. Maar hoe veel er momenteel ook over popmuziek wordt geschreven, samenhang heeft het niet. Laat staan dat het te kwalificeren is als goede journalistiek. Al zijn er natuurlijk uitzonderingen.

Internet versus papieren journalistiek
Drie jaar geleden vierden de internetredacties van Der Spiegel en Time Magazine hun tienjarig bestaan. Echter, op de Duitse website internetjournalismus.de meent de toonaangevende journalist Fabian Mohr dat er niet veel te vieren valt. Nog steeds wordt een baanwisseling van de traditionele redactie naar de internetredactie gezien als een degradatie. Ook in ons land staat de webredacteur van kranten en opiniemagazines niet hoog in aanzien. Vanuit de traditionele -van oorsprong papieren – journalistiek wordt er met argusogen gekeken naar de digitale pioniers die de regels van de journalistiek aan hun laars zouden lappen. Dat laatste valt overigens best mee, leert ‘De Gevolgen van de Digitalisering van de Journalistiek’ – een onderzoek dat tussen 2002 en 2005 werd uitgevoerd door de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ). De resultaten zijn op zijn minst interessant. Zo concludeert de NVJ dat geld verdienen met journalistieke activiteiten op internet in Nederland extreem lastig is én blijft. Dat komt omdat Nederland geen echte internetcultuur heeft, de vrijheid van de journalist verrassend laag is en de participatie van bezoekers aan websites in vergelijking met andere landen gering. Daarbij komt nog eens, zo stellen de onderzoekers, dat er geen specifieke journalistieke opleiding is die zich richt op internet. Dat is niet zo verwonderlijk gezien de eerder genoemde aversie van de traditionele journalistiek tegen die op het web. Die aversie is overigens eerder angst. Op het web staan de journalistieke waarden immers onder druk. Er ontstaat een nieuw netwerk met andere knooppunten dan de traditionele media en allerlei onplaatsbare vormen van journalistiek. Het weblog bijvoorbeeld, dat misschien niet voldoet aan allerlei journalistieke criteria, maar voor veel lezers wel de rol vervult die eerder was weggelegd voor de journalistiek. De subjectieve interpretatie van de nieuwsblog wordt voor de lezer een bron van informatie. Of dat een goede of slechte zaak is, is een classificatie die nutteloos is. Internet is, zoals altijd met een nieuwe technologie, onderdeel geworden van de werkelijkheid. Negeren is zinloos.


Popjournalistiek van de drukpers

Het subjectieve karakter dat de blogjournalistiek typeert, is altijd al een belangrijke eigenschap van de popjournalistiek geweest. Wellicht dat het daarom tussen de popjournalistiek en de ‘gewone’ nooit echt heeft geboterd. Popjournalistiek is immers vanaf het begin van de jaren zeventig – als er in deze context voor het eerst sprake is van het woord ‘pop’ – altijd de luis in de pels van de gevestigde orde geweest. Pop is immers van het volk, wars van pretenties en maatschappelijke structuren. De grote democratisering van de popcultuur in de jaren negentig – waarin hoge en lage cultuur opzichtig met elkaar flirtten en het postmoderne opgang maakt in de journalistiek – zijn er in de ons omringende landen tijdschriften ontstaan die gelden als de gangmakers van de hippe, vooruitstrevende cultuur. Frame, Wired, Face, I-D en De:Bug golden als vertegenwoordigers van die nieuwe journalistiek. Eentje waarbij pop en intellect hand in hand gingen. Bladen ook die alle vormen van popcultuur en kunst onder het voetlicht brachten.
Aan ons land is deze ontwikkeling grotendeels voorbij gegaan. Buiten het kortstondige bestaan van BlvD als breed cultuurblad heeft ons land altijd een strikte scheiding gekend van cultuurgebieden. Film, mode, literatuur, muziek. Overal bestaan aparte tijdschriften voor. Ook voor popmuziek. Zo rond de eeuwwisseling was het aanbod aan muziekbladen in ons land nog behoorlijk uitgebreid. In een relatief korte tijd verdwenen er echter belangrijke titels: Bassic Groove, Samsonic, Opscene, Update en Watt. Een directe relatie met de opkomst van de popjournalistiek op internet klinkt plausibel. Maar de economische terugslag bij adverteerders ligt als reden meer voor de hand.
Nog steeds is de markt voor popjournalistiek in de traditionele media allesbehalve rooskleurig. Twee jaar geleden fuseerden de twee grootste popbladen OOR en Aloha. Het grootste danceblad van ons land, Release is inmiddels veranderd in een veredeld reclameblad voor een klein publiek. Gratis te verkrijgen bladen als Fret en LiveXS komen nauwelijks tot een acceptabel journalistiek niveau. Het uit de as van Bassic Groove – ooit het grootste dancetijdschrift van ons land – herrezen DJ Broadcast heeft potentie, maar is vooralsnog te instabiel en te afhankelijk van vrijwilligers om te concurreren met de grote titels. In de marge vechten kleinschalige bladen om het voorbestaan. Kleine bladen – zoals Aardschok, Gonzo, Heaven, Fake en That Dam – richten zich op één muziekgenre en zijn journalistiek wel degelijk interessant. Door de marginaliteit kunnen ze echter geen stempel drukken op de Nederlandse popjournalistiek als geheel, zoals inmiddels verdwenen tijdschriften dat wel deden. Al is er in Nederland nooit echt sprake geweest van een sterk popmuziekjournalistiek vertoog of discours.
Het enige serieuze popmuziekmagazine dat Nederland nog rijk is – OOR – blijkt niet in staat daar zorg voor te dragen. Een worsteling met de eigen identiteit, veroorzaakt door gebrek aan concurrentie, is daar debet aan.

Popjounalistiek op het net
Je zou zeggen dat de slechte gezondheid van de popbladen de popjournalistiek op internet groeit en bloeit. Maar de kansen van het internet worden vooralsnog niet benut. Wat is er al wel op internet te vinden? De Nederlandse popjournalistiek op internet kent nog geen lange geschiedenis. In 1996 zijn de eerste tekenen zichtbaar: de dBreakz-mailinglijst is dan een feit. dBreakz is een platform voor iedereen die zich in Nederland bezig houdt met breakbeat, een vorm van elektrische dansmuziek. Journalistiek is dBreakz nog niet. Een jaar later verschijnt het eerste Nederlandse popwebzine; Project A. Daarin wordt niet alleen over muziek geschreven maar ook over mode, kunst, grafisch ontwerp en film. In dat zelfde jaar start Stereo met een emailbrief over popmuziek. Wat later maakt de nieuwsbrief plaats voor een weblog die nog steeds bestaat.
KindaMuzik is tegenwoordig het belangrijkste webzine over popmuziek in de Benelux. En VPRO’s 3voor12 mag ook niet onvermeld blijven. 3voor12 is niet alleen nationaal maar ook international uniek en vooruitstrevend. De popmuzekwebsite van de VPRO biedt radio, concertregistraties, tv en geschreven nieuwsjournalistiek. Ook experimenteert de site met bezoekers-participatie. 3voor12, dat reeds de poppersprijs won en de prestigieuze Europese Prix-award, heeft zonder meer in hoge mate bijgedragen aan de popjournalistiek in ons land. Het is echter te gemakkelijk om 3voor12 te zien als het lichtende voorbeeld. Op de schrijvende journalistiek op de site valt veel aan te merken. De nieuwsberichten – geschreven door professionele journalisten – zijn vaak van een erg laag niveau en de onderwerpkeuze kan veel gedurfder en spannender.

Hart op de tong
Nederlandse websites als Face Culture en Toazted begeven zich net als 3voor12 op het multimediale vlak. Face Culture bied video-interviews met popartiesten aan, Toazted houdt het bij enkel geluid. Vooralsnog willen geen van beide sites echt spannend worden, juist omdat ze de mediamix die 3voor12 zo bijzonder maakt missen. Het discussieforum van De Subjectivisten vormde tot enkele jaren terug het kloppende hart van de Nederlandse popmuziekjournalistiek. Elke dag verschenen er een aantal nieuwe threads. Popjournalisten en muziekliefhebbers discussieerden met het hart op de tong over hun passie of lazen mee. Doel van het in 2001 opgerichte De Subjectivisten was om de traditionele popjournalistiek in ons land te vervangen door een meer subjectieve variant waarbij de schrijver meer ruimte krijgt. Na een succesvolle periode met goede artikelen en een actief discussieforum is de website inmiddels op z’n retour en inmiddels – naar eigen zeggen tijdelijk – van het web verdwenen. Dragende schrijvers – waaronder professionele popjournalisten – hebben De Subjectivisten verlaten waardoor het niveau van de artikelen en discussies sterk is gedaald.

File Under
Vier andere popjournalistieke websites vallen op: Go! Magazine, File Under, Thinksmall en Pitchfork. In tegenstelling tot de grote Nederlandse websites over dance, wordt Go! magazine gewoon in het Nederlands geschreven. De combinatie van nieuwsberichten, recensies en (korte) interviews is te mager om echt indruk te maken. File Under is begonnen als weblog met recensies van cd’s maar is inmiddels uitgegroeid tot volwaardig webzine over popmuziek, volgeschreven door meerdere schrijvers en met recensies, fotografie en interviews. Thinksmall begon enkele jaren geleden als ambitieus webzine over indiepop maar is sinds kort veranderd in een Engelstalige weblog van de voormalig hoofdredacteur. Zonde, want Thinksmall was ondanks het fanmatige gehalte zonder meer een perfecte bron van informatie. Het door mijzelf gestarte cut-up doet een poging om inhoudelijk aan te haken bij het succesvolste popmagazine op internet, Pitchfork. Na een succesvolle periode waarin we experimenteerden met video en radio staat de productie van content, bij gebrek aan vrijwillige schrijvers, nagenoeg stil.

OOR en State Magazine
Alle eerder genoemde websites over popmuziek werken met vrijwilligers, behalve 3voor 12. Alleen de traditionele media met een site betalen hun webjournalisten. Vanaf het begin van internet hebben de traditionele media hoog van de toren geblazen over hun plannen met nieuwe media en internet. Tijdens een popjournalistendag van de NVJ in 2000 zei ex-OOR uitgever Paul Evers nog dat de website van OOR in de toekomst belangrijk zou worden dan de papieren uitgave. Vijf jaar later is daar nog niets terecht gekomen. De begin 2005 met veel bombarie gelanceerde nieuwe website van OOR oogt chaotisch en is veel te druk. De speciale content voor abonnees stelt teleur. Het zijn albumrecensies die ook al terug te vinden zijn in de papieren uitgave en lange lappen tekst die op een beeldscherm lastig zijn te lezen. De website van OOR moet het hebben van nieuwsberichten over popmuziek, maar gaat daarmee de concurrentie aan met 3voor12 en dat lijkt alle behalve een goed idee. Dan is er nog de muzieksectie van de portal van internetprovider Planet Internet. Maar journalistiek wordt daar niet bedreven; een negatieve recensie of kritisch artikel is er niet te vinden. Het relatief nieuwe hiphopwebzine State Magazine wordt opzichtig gesponsord door Heineken en lijkt op het eerste gezicht een direct product van de marketingafdeling van de biergigant. Er wordt echter voorzichtig kritisch geschreven, met behoorlijk wat diepgang, maar de gemakkelijke nieuwsberichten doen de ambities van het webzine nog geen recht. Heineken heeft inmiddels aangekondigd zich gedeeltelijk terug te trekken.

Webzine over Dance
De muzieksecties op internet van de landelijke kranten zijn een lichtpunt in de webpopjournalistiek. Een paar jaar geleden was die van dagblad Trouw met voorsprong de beste. Inmiddels doet Trouw niet veel meer met popmuziek op internet. Popcultuur lijkt eveneens te verdwijnen uit de papieren krant. Het Parool, Volkskrant en Telegraaf hebben de positie op internet inmiddels van Trouw overgenomen. De websites van de gratis kranten komen niet verder dan mooi gestylde persberichten. Vooralsnog gaat het bij websites van kranten voornamelijk om recensies van live-optredens. De Volkskrant gaat verder door het aanbieden van gesproken recensies die weinig meer omhelzen dan een muziekredacteur die met een camera voor z’n snufferd stamelend en veel te snel een geschreven recensie voorleest. De kwaliteit van de geschreven journalistiek is bij de krantenwebsites – en OOR – wel veel beter (sneller in tijd, beter geschreven) dan die op de webmagazines over popmuziek. Het eerder genoemde dancemagazine DJ Broadcast begint zich ook op internet langzaam te ontwikkelen tot belangrijke popjournalistieke speler. Niet dat dat bijzonder moeilijk is. Buiten Go! is DJ Broadcast het enige serieuze webzine over dance. Er zijn wel lifestyle websites met druk bezochte fora die aandacht besteden aan dance. Meer dan veredelde prikborden voor persberichten zijn het echter niet.

Underground
Het mag duidelijk zijn: de traditionele media hebben weinig concurrentie te duchten. Ondanks de grote hoeveelheden geld die ze de laatste jaren hebben geïnvesteerd in nieuwe media, hebben ze een mager aanbod. Vaak is het maar een zwakke afspiegeling van wat ze in de papieren krant doen. Het lijkt er, kortom, op dat ze internet niet beschouwen als apart medium, als een nieuw systeem met een andere, eigen, dynamiek.
De geschiedenis van internet leert ons dat we de vernieuwing niet van de gevestigde orde hoeven te verwachten. De (internationale) initiatieven die uit de underground zijn ontstaan zijn toonaangevend op het net. Denk maar aan Pitchfork, Stylus, Popmatters en De:Bug.

Revolutie
Op het gebied van popmuziek heeft internet voor een revolutie op zich gezorgd. P2P-software maakt het mogelijk om muziekbestanden te delen. En daardoor zijn muzikanten en kleine onafhankelijke platenmaatschappijen in staat om de muziekindustrie te omzeilen. De grenzen tussen de rollen van platenmaatschappij, muzikant en consument zijn minder strikt geworden en vloeien zelfs in elkaar over. Op internet kun je, kort door de bocht gezegd, alledrie tegelijkertijd zijn. Informatietechnologie en nieuwe media hebben het hele industriële popmuzikale landschap op z’n kop gezet. Het is daarnaast de laatste jaren steeds gemakkelijker geworden om zelf een website op te starten. Software waarmee men binnen een uur een eigen weblog creëert zonder te beschikken over kennis van html is op het internet gratis verkrijgbaar. Dat geldt ook voor content management systemen (CMS) – publiceersystemen waarbij kennis van html niet nodig is – die als Open Source worden aangeboden. Met een goede vormgever erbij ligt een stijlvol webzine binnen handbereik. Bovendien beschikt een aanzienlijk deel van de Nederlanders over een breedband-internetverbinding. Met de introductie van UMTS en HSDAP (razendsnel mobiel internet) is de gedachte ‘altijd online’ werkelijkheid geworden. Ook gewoon op straat. Techniek is, met andere woorden, niet meer de bottleneck. Het aantal weblogs in ons land – meer dan één miljoen – bewijst dat er dankbaar gebruik wordt gemaakt van alle technische mogelijkheden. Maar het maken van een goede webzine over muziek vergt natuurlijk wel wat meer dan de beheersing van de techniek. Het vereist visie, creativiteit en een bepaalde mate van professionaliteit. Juist aan die voorwaarden ontbreekt het jammer genoeg nog.

Creativiteit en durf
De internetpopjournalistiek in Nederland lijkt op die in de traditionele media. Ook daar is er geen sprake is van een typische Nederlandse popmuziekjournalistiek. Dat komt door een gebrek aan visie, creativiteit en durf. Dat zorgt voor inwisselbare artikelen zonder kraak of smaak waarin de naam van de band zo veranderd kan worden zonder dat de inhoud er minder plausibel door wordt. Dergelijke artikelen zijn in alle media te lezen. In de traditionele, maar ook op het web. In elk medium – van De Groene tot Nieuwe Revu en De Telegraaf tot ’t NRC – lees je hetzelfde verhaal dat doorgaans trivialiteiten bevat over de nieuwe plaat van de band of artiest, de mening van de auteur ontbreek en deze doet geen poging om de muziek te plaatsen. Dezelfde artiesten duiken in ieder blad, krant en webzine weer op. Ieder magazine een eigen identiteit en een andere doelgroep? Aan de artikelen is dat niet te merken.
Het gebrek aan oorspronkelijkheid is terug te voeren op het ontbreken van een echte popjournalistieke traditie in ons land. Nederlandse popjournalisten gaan nu eenmaal niet graag zelf op onderzoek uit, ze nestelen zich het liefst in de nabijheid van de platenindustrie. Geld speelt daarbij overigens een belangrijke rol. Geldgebrek zorgt er immers voor dat tijdrovende journalistieke methoden als de reportage en het achtergrondartikel vrijwel niet meer geschreven worden. Geldgebrek zorgt er ook voor dat er bovenmatig aandacht wordt besteed aan onderwerpen die voor het oprapen liggen. En dat zijn natuurlijk niet de meest spannende en vernieuwende. Geldgebrek is misschien een reden, maar geen excuus. Ook zonder veel geld is het mogelijk om aandacht te schenken aan onbekendere bands en artiesten. Het kost wat meer moeite, oké, maar dat hoeft niet noodzakelijkerwijs duurder te zijn. Creativiteit en durf is wat nodig is. Eigenschappen die onlosmakelijk zijn verbonden met het beroep van popjournalist.

Gemakzuchtig
Je zou verwachten dat creativiteit en durf op internet wél volop aanwezig zijn. Het tegendeel is echter het geval. Sterker nog: de popmuziekjournalistiek is in de traditionele media vooralsnog zeker net zo spannend, zo niet spannender, dan op het web. Daar zijn een aantal redenen voor. Allereerst zijn er meer popjournalisten dan dat er betaalde banen zijn. Als vrijwilliger beginnen is dan ook dé perfecte manier om op te vallen en je in de kijker te spelen bij de betaalde media. Ook op internet. Onbetaalde popjournalisten draaien op precies dezelfde manier mee in het popmuzikale landschap als hun professionele collega’s. Ze interviewen dezelfde mensen, hebben dezelfde ‘status’ bij de platenindustrie en staan op dezelfde perslijsten. En dat heeft uiteraard invloed op de manier van schrijven. Het is dan ook nauwelijks verwonderlijk dat de popmuziekjournalistiek op het internet de traditionele media als het ware kopieert. Daar komt nog eens bij dat de meeste popjournalisten freelancen en werken voor een keur aan verschillende media. Een mix van betaalde en onbetaalde arbeid is in Nederland eerder regel dan uitzondering. Dat leidt tot de vreemde situatie dat een aanzienlijk deel van de journalisten dat de papieren popbladen vol schrijft ook op internet de toon zet. Daarnaast zijn er nog de amateurschrijvers die op een fanmatige, ‘journalistieke’ of academische manier over popmuziek schrijven of lonken naar een betaalde baan als popjournalist. Die groep heeft inmiddels een uitgebreid netwerk van web-logs volgeschreven over popmuziek. Maar zowel de popjournalisten-in-spe, de amateurschrijvers en hun professionele collega’s kiezen liefst voor de gemakkelijke weg. Waarom op zoek naar het nieuwe geluid op de dansvloer in Oslo als een persdag met Metallica of Justin Timberlake in Amsterdam tot de mogelijkheden behoort? Hoe lastiger en journalistiek interessanter de onderwerpen, zo is mijn ervaring bij cut-up, hoe minder vrijwilligers bereid zijn er de schouders onder te zetten.
Het is overigens niet zo dat er geen aandacht is voor marginale muziek. Muziekstromingen – gothic, breakbeat, hardcore/punk, hardrock, new wave, underground hiphop – die niet of nauwelijks aandacht krijgen in de reguliere media, worden gevierd op webzines of fansites. Maar vaak worden ze in het Engels geschreven en vallen daardoor niet onder de Nederlandse journalistiek. Het enthousiasme voor de muziek staat er centraal, niet de kwaliteit van het geschreven woord.

Een gouden toekomst?
Al zijn ze doorgaans niet al te best geschreven, het zijn juist die marginale magazines die de belofte van internet zijn. Zij berichten over de rafelranden van de popcultuur, over volstrekt onbekende muziek en weten leuke en interessante invalshoeken te bedenken. Hoe knullig het vaak ook geschreven is. De goedgeschreven verandering is te verwachten van vrijwilligersinitiatieven als KindaMuzik, dat met ruim honderdduizend unieke bezoekers per maand een belangrijker speler is geworden. Toch wordt het webzine pas sinds kort serieus genomen door de traditionele partijen. Inmiddels werkt KindaMuzik samen met 3voor12. Maar daar ligt ook de valkuil van KindaMuzik. Het webzine zet in op zoveel mogelijk lezers en daardoor heeft het geen sterke identiteit; KindaMuzik staat eigenlijk nergens voor. Jammer, aangezien het bijzonder eigenwijze Pitchfork juist mét een uitermate stevige identiteit een belangrijk internationaal popjournalistiek medium is geworden. Mijn poging om met cut-up dezelfde weg te bewandelen in Nederland is vooralsnog mislukt. Niet door gebrek aan lezers, overigens. Wel door gebrek aan schrijvers die geïnteresseerd zijn in de marges van de popcultuur en op vrijwillige basis willen en kúnnen bijdragen.
Het wachten blijft op de echte pioniers die het internet zien als dé mogelijkheid om te werken aan een betere vorm van popjournalistiek. Zonder de pretentie er veel geld aan te verdienen, met het verlangen om risico’s te nemen en werkelijk op zoek te gaan naar nieuwe onbekende muziek. Pas dan kan de popjournalistiek op internet in Nederland zich succesvol ontworstelen aan de traditionele media. De hoop is er, nu de praktijk nog.

De cache van een dagje winkelen

Auteur: Richard de Boer

Wat is de overeenkomst tussen een kind in Legoland, de OV-chipkaart, een rashond, een Alzheimerpatiënt op een zorgboerderij, een koffer op Schiphol en de verswaren van C1000? Ze zijn allemaal gelabeld met een Radio Frequency IDentification-chip. Dit automatisch identificatiemiddel zendt radiogolven uit die het mogelijk maken om op afstand ongemerkt informatie over een product, dier of persoon te verzamelen.

RFID is niet nieuw, het is al onderdeel geworden van ons dagelijks leven. Maar het aantal toepassingen van het identificatiechipje zal de komende tijd explosief groeien. Sommigen zien dat als een utopie, anderen vrezen voor een nachtmerrie. Neem de OV-chipkaart. Het grote voordeel van deze RFID-kaart is dat je geen gedoe meer hebt met zonegrenzen en verschillende kaartjes voor trein en bus. Je betaalt wat je reist. Maar wat de meeste mensen niet weten, is dat je persoonsgegevens op de OV-chip overal en op afstand te lezen zijn. In principe kan je hele handel en wandel worden gevolgd. Het College Bescherming Persoonsgegevens protesteert al jaren tevergeefs. Tegen de toepassing van RFID in de gevangenis in Lelystad kwamen minder bezwaren. Gedetineerden dragen een armband met een RFID-tag erin. Hun gangen zijn op een monitor te volgen en dat scheelt bewakingskosten. De RFID-tag voor kinderen in Legoland en voor de Alzheimerpatiënt in de zorgboerderij voorkomt dat ze kwijtraken.

De grootte van een zandkorrel
Een RFID-tag bestaat uit een chip met informatie en een antenne. Een RFID-reader zendt radiosignalen uit naar de chip en de chip zendt zijn informatie terug. Die informatie wordt opgeslagen en verwerkt in een database. Een RFID-reader kan meerdere RFID-signalen tegelijkertijd opvangen en verwerken. De radiogolven gaan dwars door kleding, verpakkingsmateriaal en de huid, als de chip bij een mens of dier is ingebracht. Er zijn actieve en passieve RFID-chips. Veruit het grootste gedeelte van de RFID-chips is passief en is alleen op korte afstand (40 cm tot 7 meter) te lezen. Je vindt ze bijvoorbeeld in de smart cards; klantenpassen, identiteitskaarten en personeelspassen. De tags zijn soms niet groter dan een zandkorrel. Actieve chips kunnen behalve gelezen ook beschreven worden. Actieve chips zijn groter en hebben een energiebron nodig; een accu of een koppeling met een mobiele telefoon. Voor de actieve chips zijn leesafstanden van tientallen tot meer dan een kilometer haalbaar, afhankelijk van de RFID-reader.

Alomtegenwoordig internet der dingen
Volgens kenners staan we aan de vooravond van een Internet der Dingen, ambient intelligence en ubiquitous computing. Oftewel: de computer zoals we ‘m kennen – met beeldscherm en hardware – zal uit het zicht verdwijnen. In plaats daarvan komt er een computertechnologie die overal in verweven is. In producten, in deuren, in structuren. RFID speelt daarbij een sleutelrol. In de toekomst zijn alle getagde producten en dingen digitaal met elkaar verbonden. Net zoals op internet informatie met elkaar gelinkt wordt, maar dan in de fysieke wereld. De omgeving wordt als het ware de interface, RFID de lijm die alles samenhang geeft. Maar zover is het nog niet. Er is nog geen wereldwijde standaardisering en ook een achterliggende infrastructuur ontbreekt. Voor een echt internet der dingen is volledige uitwisselbaarheid van RFID-systemen nodig. Daar wordt overigens wel aan gewerkt; de Electronic Product Code is wereldwijd de meest geaccepteerde RFID-standaard. Ook de kosten van een RFID-chip zijn nog te hoog om RFID op grote schaal toe te passen. “Rond 2004 dachten veel bedrijven dat RFID de barcode op elk product kon vervangen,“ vertelt Bart Schermer, privacyjurist en coördinator van het RFID Platform Nederland. “Dat bleek technisch lastig en bovendien te duur. RFID is niet voor elk doel de efficiëntste technologie. Elke toepassing is maatwerk.”

Pinnen met je mobieltje
RFID is aan een opmars bezig. In 2006 werden wereldwijd meer dan één miljard RFID-tags verkocht en in 2016 zullen het er meer dan 500 miljard zijn. De grote doorbraak kwam in 2005 toen de supermarktketens als Wal-Mart en Metro AG hun leveranciers verplicht stelden om dozen en paletten met RFID-tags naar EPC-standaard te voorzien. Dat maakte de logistiek een stuk eenvoudiger en goedkoper. Nederland is momenteel bezig met een inhaalslag. Volgens Marco Waas van TU Delft heeft Nederland – toch een distributieland – in de ontwikkeling van RFID de boot gemist. En dat terwijl een van de grootste RFID-chipfabrikanten Nederlands is; NXP Semiconducters, opgericht door Philips.
Bart Schermer ziet het meeste heil in een tag met sensortechnologie. “De supermarktketen C1000 zet bijvoorbeeld sensor-RFID’s in om versproducten (groenten, vlees, zuivel, brood, aardappelen en diepvries) zo snel en dus zo vers mogelijk in de winkel te krijgen. De sensor geeft informatie over temperatuurschommelingen. Die informatie kan gebruikt worden om de kwaliteit van de producten te verbeteren.” C1000 houdt dit jaar ook een proef met mobiel betalen via RFID. Honderd klanten kunnen met hun mobiele telefoon (voorzien van een RFID-tag) afrekenen. De chip houdt het aantal spaarzegeltjes bij en statiegeld wordt direct op je bankrekening bijgeschreven. Deze vorm van RFID, met een actieve chip die alleen op korte afstand leesbaar is, heet Near Field Communication (NFC).
Ook ziekenhuizen experimenteren met RFID. Maar daar blijkt de technologie vooralsnog te duur en te experimenteel om in te zetten, zo bleek begin 2007 uit een experiment in de operatiekamers van het Amsterdams Medisch Centrum. Actieve RFID-tags met sensortechnologie moesten informatie geven over de logistiek in de operatiekamer, materiaal snel traceren en de temperatuur van bloedzakken in de gaten houden.

Cookies in de supermarkt
Cor Molenaar, voorzitter van het RFID Platform Nederland, voorziet een glansrijke toekomst voor RFID in het customer relationship management (CRM). Molenaar vindt dat Internet en nieuwe technologieën consumenten kritischer en flexibeler hebben gemaakt. Traditionele reclamemethodes zijn daardoor niet langer effectief als marketinginstrument. Als RFID straks steeds meer wordt gebruikt voor persoonsidentificatie ziet hij grote kansen voor klantgebonden marketing (narrowcasting). Het koopgedrag en de koopmotieven van het individu worden gevolgd, geanalyseerd en begeleid met persoonsgebonden aanbiedingen en kortingen. Cookies in de supermarkt dus.
Ook in huiselijke omgeving zal RFID gemeengoed worden. Philips experimenteert sinds 1999 in een speciaal researchprogramma met ambient intelligence; ‘intelligente’ producten die met RFID-technologie in staat zijn om situaties te interpreteren. De producten van de toekomst moeten zich kunnen aanpassen aan de gewoontes en de wensen van bewoners. En zelfs in staat zijn hun emoties te herkennen. Een prozaïsch voorbeeld van ambient intelligence in het huishouden is het digitaal seintje als de vuilniszakken bijna op zijn.

Privacy
Het gebruik van RFID in consumentenproducten baart burgerrechten- en consumentenorganisaties grote zorgen. Verborgen plaatsing van chips en RFID-readers maakt het mogelijk om mensen te traceren en om een profiel over iemand op te stellen. Door koppelingen met andere RFID-databases kan een profiel opeens veel informatie over iemand bevatten.
Een paar gevallen van onverantwoorde RFID-toepassingen hebben aan deze bezorgdheid bijgedragen. In maart 2003 werd bekend dat kledingfabrikant Benetton de logistiek wilde stroomlijnen door chips in kledingstukken te verwerken met informatie over kleur, maat en de winkel waarvoor het kledingstuk bestemd was. Dit leidde tot een grote publiekscampagne van de Amerikaanse consumentenorganisatie Consumers Against Supermarket Privacy Invasion And Numbering (CASPIAN), boegbeeld van de anti-RFID-lobby. Benetton zag af van chips in haar kleding. Sindsdien is het debat over RFID en privacy in de Verenigde Staten gepolariseerd. Om publieke commotie te omzeilen meed de Amerikaanse overheid in de voorlichting over het nieuwe elektronische paspoort elke associatie met de term RFID. Dat was een staaltje new speak dat marketingtechnisch slecht uitpakte en de vermoedens van tegenstanders over een ‘stille revolutie‘ bevestigde. Behalve de privacy kleefden er ook veiligheidsbezwaren aan het RFID-paspoort. Persoonlijke gegevens zouden door criminelen gestolen kunnen worden zonder dat je er iets van merkt. Het elektronische paspoort is er inmiddels, mét RFID-tag. Ook Nederland is sinds augustus 2006 overgegaan op een paspoort/identiteitskaart met RFID-chip.

RFID gehacked
Er is forse kritiek op de RFID-industrie omdat ze de kwetsbaarheden in de veiligheid en privacy van RFID bagatelliseert. Want veilig is RFID nog niet. Het onderzoeksteam van Melanie Rieback aan de Vrije Universiteit in Amsterdam kreeg in 2006 internationale publiciteit door aan te tonen dat RFID-systemen geïnfecteerd kunnen worden door malware en virussen. Een chip met malware kan een heel distributiesysteem platleggen. Ook het klonen en kraken van een RFID-chip bleek mogelijk.

Klakkeloos
In vergelijking met omringende landen zijn opvallend weinig Nederlanders zich bewust van RFID, ook al heeft iedereen er in zijn dagelijks leven mee te maken. In een Europees onderzoek uit 2005 gaf slechts twaalf procent van de Nederlandse respondenten aan de technologie te kennen. Een peiling onder early adopters van de OV-chipkaart wees uit dat bijna niemand zich realiseert dat zijn reisgedrag in principe gevolgd kan worden door politie, justitie en veiligheidsdiensten. „Er was maar een handjevol mensen dat de keuzemogelijkheid voor een anonieme OV-chipkaart zonder persoonsgegevens wilde afdwingen“, merkt Schermer van het RFID Platform op. „De overige zestien miljoen gaan de chipkaart op 1 januari 2009 klakkeloos accepteren. De burger wenst toch vooral meer gemak, meer efficiëntie en klantenkorting.“ Schermer beweert dat privacy over twintig jaar niet meer bestaat. „Dat heeft niet zozeer met RFID te maken, maar met de houding tegenover voortschrijdende technologie. Met de ontwikkelingen schuift de acceptatie steeds gemakkelijker op.“ Het Auto-ID Center kwam in een marketingonderzoek naar de publieke opinie over RFID tot eenzelfde conclusie. De consument is moeilijk te mobiliseren tegen RFID. Hij lijkt zich apathisch over te geven aan de onontkoombaarheid van de nieuwe technologie. Maar anderzijds hebben negatieve gevoelens nog de overhand. Voor de consument zijn er nog geen duidelijke voordelen te zien, waardoor negatieve berichtgeving vrij spel heeft. Het helpt ook niet dat het bedrijfsleven de voordelen soms opdringen.

Baja Beach Club
In Nederlandse wordt het debat over RFID vooral door specialisten gevoerd; het RFID Platform Nederland, het Rathenau Instituut, het College bescherming persoonsgegevens (CBP), computerwetenschappers en beleidsmakers. Van de politieke partijen heeft tot nu toe alleen de ChristenUnie zich serieus in het onderwerp verdiept. Directe aanleiding was het nieuws over geïmplanteerde betaalchips bij vaste klanten van de Baja Beach Club in Rotterdam; een schending van de integriteit van het lichaam volgens de CU. In tegenstelling tot landen als de Verenigde Staten, wordt het debat hier redelijk genuanceerd gevoerd. Een kleine groep van RFID-tegenstanders, zoals het comité Meldpunt Misbruik Identificatieplicht, vreest voor een naderende Orwelliaanse controlestaat. Dit schrikbeeld werd door voorstanders al snel als retorische tactiek overgenomen om alle kritiek op RFID te diskwalificeren als irrationele paranoia van ongeïnformeerde kleinburgers.

Function creep
Irma van der Ploeg (filosoof en lector Infonomie) vindt het zinnig om kanttekeningen te plaatsen bij RFID. Eén van de grootste risico‘s van RFID ligt volgens haar op het niveau van de achterliggende databases. Nieuwe vormen van dataverzameling brengen steeds meer informatie die oorspronkelijk gescheiden was bij elkaar. Informatie uit de verschillende levenssferen (thuis, werk en op reis) van een individu kunnen daardoor in een database gekoppeld worden. Databases worden vaak onder het mom van de efficiency aan elkaar gekoppeld. “Creating synergy, noemen ze dat”, zegt Van der Ploeg. Maar in werkelijkheid is het function creep; men verzamelt persoonlijke gegevens voor één bepaald doel, maar sluipenderwijs verandert het doel of de context waarin de gegevens geregistreerd worden. En daarvoor heeft het datasubject niet getekend. Van der Ploeg legt uit dat in een EU-richtlijn is vastgelegd dat persoonsgegevens alleen verzameld mogen worden voor het oorspronkelijke doel. “Deze regel wordt stelselmatig geschonden onder efficiencyvoorwendselen. De parlementaire controle zou veel sterker moeten zijn.”

Privacywet voldoet niet meer
Van der Ploeg maakt zich zorgen om het gebrek aan toezicht op commercieel gebruik van persoonsgegevens een probleem. “Het commercieel verzamelen van persoonsgegevens valt buiten de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Een mens, het datasubject, heeft geen idee welke gegevens van hem bekend zijn, gerubriceerd worden en jaren lang bewaard worden. Hij heeft een enorme kennisachterstand op de systeemeigenaar, de beheerders van de databases. Ook de internationaal onderschreven fair information practices en gegevensbeschermingsregimes zijn ontoereikend omdat ze doorgaans gebaseerd zijn op een individuele rechtenbenadering.”
De overheid houdt vol dat het wettelijke kader voor privacybescherming, zoals de Wet Bescherming Persoonsgegevens, volledig van toepassing is op RFID-technologie. Maar ook Bart Schermer zet hier vraagtekens bij. “De WBP gaat over de verwerking van gegevens die terug te leiden zijn tot een persoon. Maar wat zijn precies persoonsgegevens? Als je Senseo-apparaat bij elk kopje koffie onmerkbaar en ongewenst contact maakt met de server van Albert Heijn, kun je dan spreken van persoonsgegevens? In de praktijk zal de WBP heel moeilijk te handhaven zijn. Het hele begrip privacy wordt onhanteerbaar.”
Ook Jeroen Terstegge, juridisch adviseur van Philips, denkt dat RFID-technologie het einde inluidt voor bestaande privacywetgeving. Privacywetgeving zet volgens hem een onnodige rem op ontwikkelingen rond RFID en ambient intelligence: “De WBP zou meer moeten toezien op de kwaliteit van de gegevensverwerking dan op de legitimiteit ervan.” Terstegge pleit voor wettelijke regels om nadeel en schade voor consumenten te voorkomen en voor privacy by design. Organisaties die met RFID gaan werken, zouden volgens Terstegge de bescherming van persoonsgegeven als uitgangspunt moeten nemen bij de ontwikkeling van hun informatiesysteem. Zo heeft Philips ervoor gezorgd dat chips op Philipsproducten na aankoop door consumenten gedeactiveerd kunnen worden. “Dat is een goede instelling”, vindt Schermer. “Het gaat uiteindelijk niet om het reguleren van de technologie, maar van de toepassingen. In Nederland hebben we een gedragscode proberen op te stellen voor RFID en privacy, maar uiteindelijk constateerden we dat zo‘n code de uitgangspunten van de WBP niet ontstijgt. Wat in de éne context geldt, werkt in een andere context niet. Prima dus als bedrijven zelf normen stellen.”

Zelfregulering
De EU en de Nederlandse overheid beschouwen RFID als een veelbelovende technologie die bij de juiste inzet grote innovaties mogelijk maakt in uiteenlopende sectoren. RFID moet volgens de overheid zoveel mogelijk de ruimte krijgen zich te ontwikkelen. Eurocommissaris voor informatiemaatschappij, Viviane Reding, vertrouwt op het zelfregulerend vermogen van de industrie. Om de verdere groei van de kostenbesparende RFID-technologie niet te belemmeren, komt ook de EU voorlopig dan ook niet met RFID-regels. Er is wel een RFID Stakeholder Group ingesteld met vertegenwoordigers van de industrie, wetenschap en consumentenorganisaties. Zij zullen de Europese Commissie adviseren over veiligheids- en privacyaspecten van radio-identificatie. Hun advies kan aanleiding zijn tot wetgeving.
Een gevaar van zelfregulering in het bedrijfsleven, is dat het privacybeleid snel van koers kan wisselen, bijvoorbeeld door een wisseling in het management, een veranderende concurrentiepositie of financiële druk.
Onafhankelijk toezicht op die zelfregulerende industrie zal een taak zijn voor maatschappelijke organisaties. In Nederland is de Consumentenbond de voornaamste watchdog voor consumentenrechten bij RFID-toepassingen, maar de Consumentenbond vertrouwt deze taak vooral toe aan EPCglobal. Dat is opmerkelijk aangezien de richtlijnen van EPCglobal voor consumentenproducten behoorlijk vrijblijvend zijn. De losse regels van EPCglobal maskeren het gebrek aan consensus van de industrie over privacywaarborgen.

Onzekerheid en wantrouwen
Irma van der Ploeg waarschuwt dat de nieuwe kwetsbaarheden door RFID nog niet of nauwelijks in kaart zijn gebracht. “Het is op voorhand niet te zeggen wat de sociale, ethische en normatieve implicaties zijn van het leven in een omgeving die is vergeven van alomtegenwoordige computers – onzichtbaar en verweven met het alledaagse. Het is natuurlijk wel interessant wat er gebeurt met het traditionele dualisme tussen subject en object wanneer de fysieke omgevingen en objecten op grote schaal voorzien worden van sensoren en communicatiecapaciteiten. Maar je kunt niet zomaar subjectkwaliteiten toekennen aan smart objects in het internet der dingen.”
Het Europese onderzoeksproject Safeguards in a World of Ambient Intelligence (SWAMI) bracht enkele kwetsbaarheden en bedreigingen van RFID in kaart. Enkele conclusies:
1) De toenemende complexiteit van computersystemen vereist steeds hogere kennisniveau‘s en veiligheidsmechanismes.
2) Een gebrek aan transparantie in een wereld van onzichtbare connectiviteit zorgt voor gevoelens van onzekerheid en wantrouwen onder burgers.
3) Er ontstaat een groeiende digitale kloof tussen geprivilegieerde burgers die meegaan met nieuwe technologische ontwikkelingen en burgers die dat niet kunnen of niet willen.
Deze drie punten zijn minstens zo nijpend als privacy en veiligheid. Maar in het Nederlandse debat zijn ze tot nu toe onderbelicht. In Nederland heten mensen niet burgers maar consumenten. Consumenten die – zoals de reclameslogan van de OV-chipkaart beweert – een leven willen dat steeds gemakkelijker wordt. Het debat wordt gevoerd in termen van kansen grijpen of de boot missen. Het is de hoogste tijd dat deze economische argumenten tegenwicht krijgen van sociale en culturele argumenten over de impact van ambient intelligence.

Peer-to-peer-power
Welke keuzes heeft de consument in de RFID-doordrenkte toekomst? In publieke discussie over RFID en privacy wordt de keuzevrijheid vaak gereduceerd tot de optie om de chip te deactiveren na aankoop van een product. Dit ‘knopje aan/uit‘ biedt slechts de illusie van controle over een technologie die ver buiten het bereik van de gemiddelde Nederlander ligt. Maar innovatieconsultant Rob van Kranenburg ziet kansen voor RFID in de opkomende bottom-up participatiecultuur, zoals zichtbaar is in de open source- en peer-to-peer-netwerken van Web 2.0. Digitale netwerken hebben de burger in een professionele amateur veranderd die niet langer andermans technologie hackt, maar zelf netwerken, software en hardware bouwt. Het gaat deze kritische mediagebruikers niet zozeer om het handhaven van hun privacy, betoogt ook mediaresearcher Klaas Kuitenbrouwer, maar om (mede)zeggenschap over alle componenten van de technologie. De readers, chips én de databases. In het huidige scenario van EPCglobal is geen plaats voor consumenten als medespelers, het spreekt alleen over marktpartijen.

Immuunsysteem tegen RFID-infiltratie
Is er een ontsnappen aan? Of laat je straks tijdens een wandeling op straat lang houdbare digitale sporen achter? Sporen waar je geen controle over hebt en die verregaande gevolgen kunnen hebben.
Er moet een mogelijkheid blijven om RFID-loos door het leven te gaan, is de eensgezinde conclusie van het Nederlandse RFID-debat. Maar hoe kun je RFID vermijden? Door de ontwikkeling van “immuunsystemen tegen niet-waarneembare infiltratie door artificiële actoren”, schrijft filosoof Cecile Crutzen. “Onze omgeving wordt besmet en vergiftigd door onwenselijke data en activiteiten. Ons leven kan zich alleen stabiliseren als we ons kunnen afsluiten en selectief deelnemen.” Er moet een mogelijkheid komen voor ‘selectieve connectiviteit’, vinden ook mediacritici Rheingold en Kluitenberg. “Het recht om je volledig uit het publieke leven terug te trekken in het privédomein.” Het onderzoeksteam van Melanie Rieback werkt aan een praktischere oplossing: een draagbare RFID-stoorzender voor consumenten. Met deze RFID-guardian kunnen mensen zelf bepalen welke tags door een reader gelezen mogen worden. En welke niet…

Het alledaagse wint van het wilde experiment

Auteur: Arie Altena

Verhalen werden er natuurlijk altijd al verteld, maar de literatuur werd pas geboren na de uitvinding van de boekkunst. Toen internet in 1994 voor het grote publiek beschikbaar werd, had men soortgelijke verwachtingen: dit medium zou literatuur – as we know it – veranderen. Is dat gebeurd? Bestaat er zoiets als nieuwe-medialiteratuur in Nederland? Literaire teksten die gebruik maken van de technische mogelijkheden van de computer, van internet? Lezers die zich al klikkend een weg banen door het verhaal? Arie Altena houdt het literaire landschap op het internet nauwlettend in de gaten.

De introductie van een nieuwe technologie gaat vaak gepaard met wilde dromen over grootse veranderingen. Ze bestonden, de schrijvers die droomden van een nieuwe literatuur, een literatuur van nieuwe media, gemaakt met computers, bestemd voor het internet. Dit waren de pioniers die al in de jaren tachtig aan de slag gingen. Begin jaren negentig, toen het web veelbelovend opkwam, was er ook in Nederland even wat aandacht voor literaire experimenten voor de nieuwe media.
Daarna werd de ‘nieuwe veelbelovende technologie‘ van internet een heel gewoon onderdeel van het dagelijks leven. In de Verenigde Staten en Duitsland had de nieuwe-medialiteratuur inmiddels een kleine voet aan de grond gekregen, maar in Nederland leek ze uit te doven. Er waren nog wel een paar elektronische experimenten, maar die droegen zelden de naam literatuur.

Literatuur ≠ boek
Heeft de komst van nieuwe technologie dan niet meer dan een marginaal effect gehad op literatuur? Of is er ‘onderhuids’ al meer veranderd dan een snelle blik op internet doet vermoeden? Door computer, e-mail en internet schrijven we meer dan ooit. En schrijven is flexibeler geworden dankzij backspace, appeltje-X appeltje-V en appeltje-Z. Ook de hyperlink heeft ongemerkt onze kijk op tekst veranderd sinds de grafische internetbrowser het world wide web vanaf 1994 voor een steeds groter publiek toegankelijk maakte.
Literatuur is natuurlijk meer dan een boek. Het boek is niet meer dan een drager voor tekst, literatuur is net zo goed te beluisteren of op het internet te lezen. Als je literatuur zo definieert – als een begrip dat niet is gebonden aan een specifiek medium, of een specifieke drager – kunnen we literatuur dus ook ‚elders‘ zoeken. Dan kunnen we wellicht de contouren van nieuwemedia-literatuur ontwaren. Want misschien is ze eerder onzichtbaar, ondergedoken in allerlei verschijningsvormen, dan een zich groots manifesterend fenomeen. Misschien is het een literatuur die zich nauwelijks onder één label laat samenvoegen, maar wel literair is, dat wil zeggen: de aandacht vestigt op de taal en de tekst zelf.

Hypertekst
Het opvallendste kenmerk van internet is de hyperlink. Alle hoop voor de e-literatuur was in eerste instantie dan ook gericht op de link. Schrijven met links betekent het schrijven van een hypertekst: een tekst die bestaat uit losse tekstfragmenten die met elkaar gelinkt zijn en in verschillende volgordes gelezen kunnen worden. Hoewel zulke ideeën al vrij oud zijn, heeft het tot de jaren tachtig geduurd voordat het schrijven van hyperteksten op de computer op gang kwam. Het Macintosh-programma HyperCard vormde de eerste aanzet. Met HyperCard kon je vrij eenvoudig zelf databases programmeren voor alle soorten inhoud, die je kon verbinden met links. Destijds was het maken van links tussen teksten een ware ontdekking, een aha-erlebnis.
In dezelfde tijd werd Storyspace ontwikkeld, een programma voor het schrijven van hyperteksten. Een hypertekst is een tekst die bestaat uit losse tekstfragmenten die met elkaar gelinkt zijn en in verschillende volgordes gelezen kunnen worden. Begin jaren negentig werden er een aantal literaire hyperteksten in Hypercard en Storyspace geschreven en gepubliceerd. Vooral in de universitaire wereld ontstond daarop een bloeiende interesse voor interactieve literatuur en haar voorgangers. De hypertekstroman gold lange tijd als hét voorbeeld van nieuwe-medialiteratuur.

Rizoom
De hypertekstroman past goed bij de poststructuralistische visie op literatuur: teksten zijn een web, een weefsel. En lezen is de activiteit die de tekst tot leven brengt. In hyperteksten is lezen een activiteit, zonder klikken verschijnt er geen tekst, de links weven letterlijk een web van teksten, waarin de lezer navigeert en zijn eigen pad uitstippelt. Zulke teksten hebben geen begin en einde maar waaieren uit als een rizoom. Het was erg verleidelijk om de komst van de elektronische teksten te zien als het moment waarop de lezer de macht grijpt, zich bevrijdt uit de kluisters van het boek met haar rechtlijnige structuur en haar afgeronde verhaal.

Literaire games
In interactieve fictie of interactieve literatuur neemt de lezer een eigen rol aan in het verhaal. Naast de hypertekst ontwikkelen zich ook andere genres van interactieve fictie, meestal in spelvorm. Addventure – interactieve fictie in boekvorm en de role playing games als Zork waren een belangrijke inspiratiebron. In Nederland kwam De Digitale Stad (DDS) in 1994 met de multi-speler-omgeving Metro. In deze puur tekstuele voorloper van Second Life konden ‘bewoners’ hun eigen karakter, regels voor interactie, objecten en ruimtes creëren. Kleding, huizen en virtuele tatoeages waren niet te zien; ze werden beschreven in woorden. Ronddwalen door Metro betekende een avontuur beleven. Sommige delen waren literair interessant omdat er mooi geschreven werd of omdat de beschrijving van de ruimte iets suggereerde of losmaakte. Metro zorgde voor een ‘kick‘. Was dit de bevrijding van de eeuwenoude narratieve wetten, zoals de poststructuralisten voorstonden? In diezelfde tijd werden literaire avonden over het einde van het boek georganiseerd, en studenten Literatuurwetenschap konden de eerste colleges Elektronische literatuur volgen. Schrijvers als Dirk van Weelden doken enthousiast in het onderwerp.
Louis Stiller en Peter Mertens richtten in 1994 een uitgeverij voor elektronische literatuur op: Album. De eerste publicatie werd Schaman gaat voor Goud van Gert-Jan van Schoonhoven. Deze cd-romnovelle bestaat uit losse tekst- en beeldfragmenten. De lezer klikt zich een weg door het hoofdstuk. De zinnen verschijnen een voor een op het scherm en bepalen het leestempo. Schaman gaat voor Goud werd in de meeste grote kranten welwillend onthaald. Album gaf nog enkele andere cd-romproducties uit, maar in 1998 viel het doek; subsidie was moeilijk te krijgen, literaire cd-roms bleken moeilijk verkoopbaar.

Tijdrovend
Wat is er van al dat pionieren over? Een bekend en relatief recent voorbeeld van hyperlinkliteratuur is ‘De Amerikaan die ik nooit geweest ben’ van Chris Keulemans uit 2004. In een boek, een dvd, een radiodocumentaire en een website (www.deamerikaan.nl) verkent hij samen met fotograaf Rob Smits het beeld dat men zich van Amerika vormt, zonder er ooit geweest te zijn. Dat er verder geen bloeiende literaire hypertekstscene is ontstaan wekt niet echt verbazing. Het bleek nogal lastig te zijn om in je eentje een goede hypertekst te schrijven. Tijdrovend ook. Schrijven, en dat gaat nog steeds op, is vooral een kwestie van woorden achter elkaar zetten. Hypertekst bleef zo een Fremdkörper in de literatuur. De link voelde zich beter thuis in archiefontsluiting, informatiemanagement en games.

Nieuwe-mediaklassieker
Dichtgenres als klankpoëzie, visuele poëzie en constrained writing bestonden ook al voor de opkomst van het world wide web, maar internet gaf ze een enorme push. Veel avant-gardistisch en experimenteel werk dat vroeger moeilijk toegankelijk was valt te lezen (en downloaden) op UbuWeb. Ook in Nederland en België verschenen mooie staaltjes internetpoëzie. Mark Boog en Tonnus Oosterhoff maken geanimeerde poëzie en programmeren gedichten in flash. Er is sound poetry (Jaap Blonk, Jelle Meander) en er zijn dichters die hun work-in-progress online publiceren (Han van der Vegt). De hyperpoëzie van www.nobodyhere.com van Jogchem Niemandsverdriet (pseudoniem) is misschien wel de eerste nieuwe-mediaklassieker van Nederlandse bodem. Zijn webkunstwerk is een internationale hit. De site is in het Engels, Japans en Nederlands te lezen. Het Fonds voor de Letteren stimuleert nieuwe-mediapoëzie en daar komen soms mooie dingen uit voort. En dan zijn er gewone literaire tijdschriften, sites voor amateurschrijvers, en het serieuze debat over literatuur verplaatst zich meer en meer naar de online media.

Verhalen in de buurt
Dan zijn er ook nog de verhalenprojecten op internet. Soms hebben ze een maatschappelijk doel, bijvoorbeeld het versterken van de onderlinge betrokkenheid in een buurt. De ‘auteur‘ van zo‘n project is een team van ontwerpers dat de kaders vaststelt. De inhoud komt van de gebruikers. In Nederland is er bijvoorbeeld www.droombeek.nl. Op deze website kunnen (oud)bewoners van het Enschedese Roombeek verhalen en foto’s kwijt over vroeger, toen de wijk nog niet was weggevaagd door de vuurwerkramp in 2000. Dit is een vorm van community art. Het is anonieme literatuur; de individuele auteurs zijn minder belangrijk dan het netwerk. Met de huidige mobiele technologie en GPS krijgt dit soort literatuur een extra dimensie: elk verhaal is aan een exacte locatie te koppelen. Droombeek maakt ook gebruik van locative art, of locative fiction. Alle verhalen en foto’s op Droombeek hebben een GPS-code meegekregen. Wandelaars kunnen op een speciale GPS-handcomputer zien wat zich ooit op de plek onder hun voeten afspeelde. Andere voorbeelden waar de stad een verhalenverzameling wordt, waren de inmiddels afgesloten projecten Stadschromosomen in Antwerpen en Codex Kodanski in Rotterdam.
Al deze voorbeelden wekken de indruk van een levendige cultuur. Maar elektronische literatuur blijft toch een subgenre is. Misschien is literatuur ook niet het beste label voor kunst en cultuur op het snijvlak tussen beeldende kunst, muziek en poëzie, tussen softwarekunst en literatuur.

Boontjes en Blogs
In de jaren zestig schreef de Vlaamse schrijver Louis Paul Boon column na column voor een krant – zijn ‘Boontjes’. Niet zelden probeerde hij daarin ideeën voor zijn romans uit. Fragmenten uit de Boontjes kwamen later in bewerkte vorm terug in zijn romans. Dat doet denken aan de blogwereld van vandaag. Ook in sommige weblogs vinden we gedistribueerde verhalen, die soms – met opzet of per ongeluk – een literaire kwaliteit ontwikkelen. Soms speelt zo’n verhaal zich binnen één weblog af, soms verdeeld over meerdere blogs. En alles zonder tussenkomst van een uitgeverij. Het is bijna onzichtbare literatuur – omdat de kwaliteit even opduikt en ook snel weer verdwijnt in geklets. Daarom is het lastig om goede voorbeelden te geven. Elk voorbeeld van een literaire blog lijkt arbitrair. Vaak kun je van de ene naar de andere blog doorklikken en dan ineens wat moois lezen. De meer beschouwende blogs als die van Marc Reugebrink (http://reugebrink.skynetblogs.be), Samuel Vriezen (http://www.xs4all.nl/~sqv) of De Contrabas (http://decontrabas.typepad.com) bieden constantere kwaliteit.
Dan zijn er ook nog de blogs waarin een kunstenaar een fictief personage creëert, en op internet verslag doet van zijn avonturen. Bezoekers leveren vaak ook bijdrages aan het verhaal, waar de schrijver weer op door gaat. Zo ontstaat een mengeling tussen online-performancekunst en een interactief verhaal. Blogs laten zich zelden kennen als literatuur. De lezer moet de literatuur er zelf in zoeken. Als je geluk hebt, pluk je er een paar juweeltjes tussenuit.
Literatuur transformeert in tijden van nieuwe media. Bedenk ook dat het begrip literatuur pas in de loop van de zeventiende en de achttiende eeuw tot stand kwam. Voor die tijd waren er teksten, in allerlei genres, alleen het overkoepelend begrip ‘literatuur’ ontbrak. Met andere woorden: er was literatuur voor er literatuur was. Wie in de 21ste eeuw zoekt naar bloeiende literatuur, moet ook kijken naar de literatuur voorbij de literatuur. Literatuur die misschien niet literair lijkt in de ogen van een 20ste-eeuwer, die anoniemer is, minder spectaculair, dagelijkser, toevalliger.

Algoritmes als airbrush

Auteur: Luna Maurer

In een wereld waarin alles draait om controle, besluit ontwerper Luna Maurer om de controle uit handen te geven. Haar ontwerpen worden mede bepaald door externe factoren. Over de magie van het onvoorspelbare, de stapelwolken boven het Museumplein en boeken die een eigen leven gaan leiden.

Als we de wereld willen vormgeven, kunnen we niet om de vragen over het leven heen. Een ontwerp moet iets zeggen over onze maatschappij. Eén van die vragen is ‘controle’. Mijn leven speelt zich voor een groot deel achter mijn laptop af. Met mijn mobiele telefoon bij de hand en een snelle wireless internetverbinding, voel ik me connected. Ik, en velen met mij, organiseer mijn leven, mijn bankzaken, de belasting en mijn vliegtickets met technologie. We laten minder aan het toeval over. De filosoof Patricia de Martelaere vindt het inherent aan de mens dat hij op zoek gaat naar controle: ‘Alle levende wezens zoeken controle in hun omgeving. De mens heeft alleen meer middelen dan dieren om controle uit te oefenen.’

Logo = kleur
We weten allemaal dat de wereld zich niet laat controleren, het is een illusie dat we onze wereld kunnen beheersen. Ondanks alle technologische vooruitgang. We moeten nadenken over hoe we controle willen uitoefenen. Of wanneer we er juist van afzien. Hoe pas je dat bij een ontwerp toe? Ik kies ervoor om die controle weg te geven. Dat is een bewuste handeling. Aan controle loslaten hangt toch de connotatie van controle verliezen. In mijn ontwerp geef ik de controle uit handen. Maar aan wie of wat? Lever ik het ontwerp over aan de grillen van de gebruiker, van een formule? Ik zal een voorbeeld geven. Voor Quarantine Series, een voormalige kunstruimte in Amsterdam, mocht ik de visuele identiteit ontwerpen. Ik zocht naar iets anders dan een traditioneel logo. Een dynamisch logo moest het worden, iets wat herkenbaar en toch altijd anders is. Het logo werd kleur. Geen vorm, alleen kleur. En niet één kleur, maar een kleur die elke dag wisselt. De kleur werd bepaald door een chaotisch algoritme – waarbij de kleur van gisteren de input vormde voor de kleur van vandaag. Door de controle voor het ontwerp af te staan aan een formule, moest ik accepteren dat er kleuren ontstonden die ik zelf niet zou kiezen. Teveel roze tinten bijvoorbeeld. Maar juist het resultaat van het systeem lokte weer creatieve beslissingen uit. Zo werd het programma van de kunstruimte soms aangepast aan de kleur van de dag. Op www.quarantine.nl zie je de kleuren vanaf 08-04-03 onder elkaar staan.

Veranderlijke wolken
In mijn project www.sky-catcher.nl wordt het uiterlijk van de website niet door een computeralgoritme bepaald, maar door hoe de lucht er op dat moment uitziet. Op het dak van De Balie in Amsterdam heb ik een fotocamera geïnstalleerd die om de vijf minuten foto‘s van de hemel boven het Museumplein maakt. De foto’s worden automatisch geüpload en vormen elk vijf minuten lang de achtergrond van de website. De website verandert daarmee continue – onder invloed van het weer, de wolkenformaties, de cyclus van dag en nacht en kunstlicht. Verder past de kleur van de tekst op de site zich automatisch aan op de kleur van de hemel. Alle foto’s blijven op de website staan. Daarmee is het een gigantisch archief met tot nu toe ongeveer 150.000 afbeeldingen van de lucht die je per datum kunt bekijken. De foto’s van de lucht op een dag kun je ook als animatie afspelen. Verder is er een poster die bestaat uit 17.000 luchtfoto’s van een heel jaar. Daarop zijn twee wit-blauwe organische figuren te zien tegen de achtergrond van het zwart van de nacht. In die vormen zie je het verschil tussen dag en nacht terug, de lengte van dagen in zomer en winter en de stand van de maan.

Emergente ontwerpen
Voordat ik de controle weggeef, moet ik wel een systeem ontwikkelen dat de ontwerpbeslissingen overneemt. Ik maak beslissingen over welke factoren het ontwerp beïnvloeden, maar ook aan welke regels en eigenschappen deze systemen gehoorzamen. Ik denk bij het ontwerpen graag in termen van organismen. Onze wereld bestaat uit ontelbare organismen, systemen die steeds complexer worden: van meercellige organismen tot maatschappij en cultuur. Deze organismen functioneren los van elkaar, maar zijn ook van elkaar afhankelijk; ze beïnvloeden elkaar, vormen patronen, zoeken naar een interne orde. Je ziet dat visuele patronen uit de natuur terugkomen in de economie en de cultuur. Er verschijnen ook spontaan nieuwe patronen uit een complex systeem; emergentie. Het organisme vertoont dan gedrag dat niet toe te schrijven is aan A óf B, maar aan de interactie tussen A en B.
Mijn ontwerpen vertonen ook emergent gedrag: ik geef de programmatuur achter mijn ontwerp een paar eenvoudige regels mee en doordat die regels op elkaar reageren, verrast het ontwerp me met allerlei nieuwe eigenschappen die ik er zelf niet ingestopt had. Het ontwerp gaat een eigen leven leiden.

Tactiele ervaring
De website die ik maakte voor het Sandberg Instituut, waar ik overigens ook gestudeerd heb. vertoont emergent gedrag. De website bestaat uit een matrix-grid met gelijke vierkanten. Wanneer je met de muiscursor over de matrix beweegt, merk je dat je de lijnen kunt wegduwen. Ze ontwijken je cursor volgens bepaalde regels (massa-veer-krachten) en werken zo op elkaar dat je de matrix als elastisch en plooibaar ervaart. Je zit te spelen met het steeds veranderende gedrag van de matrix. Het suggereert een tactiele ervaring.
Een ander voorbeeld waarin ik de controle over het eindproduct uit handen heb gegeven, was een papieren catalogus voor een kunstfestival. Dwars door de officiële catalogus met alle kunstenaars en hun werken, loopt het verhaal over de totstandkoming van de catalogus. De ontstaansgeschiedenis staat letterlijk tussen de redactionele tekst en beeld van het festival. Door de mix van twee soorten tekst, oogt de bladspiegel onregelmatig, organisch. Soms overwoekert de tekst over ‘het proces’ en andere pagina’s andere zijn leeg en nuchter. Op die manier versmelten de officiële tekst van de catalogus en de tekst over de evolutie van het boek, soms wrijvend, soms homogeen.

Dynamisch ontwerpen
Met dynamisch ontwerpen ontstaan vormen die zich niet als de enige ware vorm presenteren. Het ontwerp is op het ene moment zo, maar op het andere weer anders. Het ontwerp ondergaat een permanente verandering. De betekenis van het ontwerp ligt ook in de verandering en niet in het ontwerp van de verschillende momenten.
Een voorbeeld van dynamisch ontwerpen is het visualiseren van veranderende informatie. De eigenaar van een website kan dankzij content managementsystemen gemakkelijk informatie online zetten. Zonder tussenkomst van de ontwerper. De inhoud van de website verandert daardoor, en ik vind dat de vorm daarin mee moet gaan. Een voorbeeld is de portfoliowebsite die ik heb ontworpen voor sieradenontwerpster Dinie Besems (www.diniebesems.nl). Haar werk is ingedeeld volgens jaar-ringen die donkerder waarden naarmate ze in dat jaar meer heeft geproduceerd. Het ontwerp reageert inhoudelijke op de gepubliceerde informatie en het ontwerp is ook informatief; je weet immers dat een donkere jaarring meer content bevat dan een lichte.
Een andere benadering van dynamisch ontwerpen is het ontwerpen van gereedschappen waar andere makers mee aan de gang kunnen. Bij het ontwerpen van deze tools is het belangrijk dat je je realiseert dat jouw gereedschap de kaders schept waarbinnen de gebruiker aan de gang kan. Jouw ontwerp is mede-bepalend voor de vorm die hun ‘eindproduct’ krijgt. De website die ik voor de schrijver Peter Verhelst ontwierp (www.peterverhelst.com) illustreert dit. Dit programma heeft invloed op de manier waarop hij schrijft.

900x de code doorlopen
Ontwerpen met regels is een systematische manier van ontwerpen. Maar de regels zijn verzonnen door de ontwerper, en daarmee subjectief. Het verwerken van subjectieve ideeën met regels is absurd. Vandaar dan een vriend mijn ontwerpen laatst ‘absurd objectief’ noemde. Hoe ontwerp ik mijn regels? Zijn het regels die op de meest directe en logische manier tot een oplossing leiden, of geef ik de regels nog andere eigenschappen? De poster voor de tentoonstelling NEST in het Stedelijk Museum Amsterdam is het resultaat van een programmeercode die door de ontwerper bijgestuurd moet worden. Een deel van de code bepaalt automatisch hoe een lijn moet lopen, waar een foto geplaatst worden. Maar op sommige momenten is er een moment ingebouwd waarop de ontwerper een keuze moet maken. De ontwerper moet de code net zo vaak doorlopen tot alle eisen die ik in de formule heb ingebouwd bevredigd zijn, voor de poster van NEST werd dat negenhonderd keer. Zo is de intuïtieve keuze (of smaak) van de ontwerper bewust in de code geprogrammeerd. Ik streef naar een combinatie van systematiek en menselijke ingrijpen. Een ontwerp heeft nou eenmaal meer aantrekkingskracht en geloofwaardigheid als het resultaat niet uit een machine voortkomt.
Met de opkomst van computers en visuele software, zoals Processing en Flash, kan iedereen een generatief ontwerp maken. Wat iedereen dan ook prompt en in groten getale doet. Maar veel verder dan grafische vormen gaat het merendeel van die ontwerpen niet. Wat ze ook weergeven; lijnen, vlakken, netwerken of complexe visualisaties, ze hebben allemaal dezelfde computergegenereerde esthetiek. Ik zoek binnen de systematiek naar de menselijke verstoring, de imperfectie en de magie. Een ontwerp blijft alleen spannend als je het gevoel hebt, dat je het nooit volledig kan begrijpen of beheersen. En daarvoor is er toch ergens een menselijke interventie nodig. Ik herken me in wat de wiskundige en bioloog Brian Goodwin zegt over zijn onderzoek naar complexe systemen: ‘We don‘t explain things away in science. We get closer to the mystery’.