Van De Digitale Stad naar de metaverse: interview met Geert Lovink door Lieve Baetens

In het kader van mijn afstudeeronderzoek aan de Amsterdamse Reinwardt Academie heb ik onlangs Geert Lovink geïnterviewd. Het onderzoek richt zich op de (her)waardering van De Digitale Stad, opgericht in 1994, als casus voor bescherming van potentiële born-digital erfgoedprojecten in de metaverse. Nadat De Digitale Stad in 2001 offline werd gehaald hebben meerdere partijen samengewerkt aan het project De Digitale Stad Herleeft om dit born-digital erfgoed van verdwijning te redden. Inmiddels is De Digitale Stad genomineerd als Memory of the World door Unesco. Dit voorbeeld van born-digital erfgoed is gered, maar dat is niet vanzelfsprekend. De Digitale Stad heeft een belangrijke rol gespeeld in de toegankelijkheid van internet-netwerken. Nu we aan de vooravond van de metaverse staan, wordt gekeken naar welke lessen van De Digitale Stad meegenomen kunnen worden bij het waarderen van born-digital erfgoed in de metaverse, ter bescherming hiervan. Als medeoprichter van De Digitale Stad en internetcriticus heb ik Geert Lovink gevraagd naar zijn inzichten over de ideologie achter De Digitale Stad en het medialandschap ten tijde van het bestaan van De Digitale Stad. Zijn scherpe visie over de ontwikkelingen van Web3 en de macht van Silicon Valley vormen een belangrijke boodschap voor het ontwerp van de metaverse.

In je boek Stuck on the Platform las ik dat jullie MoneyLab opgericht hebben.

Sinds eind 2013 doen we dit onderzoek. MoneyLab is een netwerk dat kijkt naar monetarisering van financiële aspecten. Dat bestond in het begin van internet niet in die hoedanigheid. Natuurlijk was er wel geld in het spel, in de zin van investeringen en betalingen online, maar de hoeveelheid geld die daarin omging was van een hele andere orde. Dat werd ook op een hele andere manier afgerekend. Het is een heel groot verschil tussen de situatie nu en dertig jaar geleden.

Ik ben me nu aan het verdiepen in het begintijdperk van het internet.

Het was heel primitief. Je moest via de telefoon inbellen. De verbindingen waren heel langzaam. Dat zie je bij DDS ook. Dat is een project dat eigenlijk precies op het breukvlak zit tussen de eerste generatie internet, die ongeveer doorliep tot 1994 of 1995. Het World Wide Web werd in 1991 al uitgevonden, maar het duurde wel een paar jaar totdat die browser er was en de verbindingen zo waren dat het een veel grotere ballast aan kon. Dat trok de telefoon toen eigenlijk nog niet. Daarom stond in het begintijdperk de WWW in Word Wide Web voor ‘Wait Wait Wait’. Het laden duurde heel lang en dan zag je de pagina langzaam binnenkomen. De internetcultuur was in het begin eigenlijk alleen maar tekst. Bij het begin van de eerste plaatjes was het ‘Wait Wait Wait’. Dat veranderde pas heel veel later, eigenlijk pas begin 2000, toen veel meer mensen een kabel kregen en de ADSL-verbinding verder verspreid werd. Vanaf dat moment komt pas online videostreaming goed op gang. Daarom was er in de jaren ’90 ook geen YouTube. Dat is niet omdat mensen toen primitief waren of van niks wisten. Online video was al heel ver gevorderd, zelfs op dat moment al. De digitalisering van film en video gaat tot ver in de jaren ’70 of ’60, maar om dat gecomprimeerd door een telefoonleiding te sturen was te veel gevraagd. Dat werkte vroeger niet. Vandaar dat het wachten was op die grote sprong. DDS heeft dat zelf eigenlijk niet meegemaakt. De hoogtijdagen in de tien jaar dat het ongeveer bestond was het vooral tekst met wat plaatjes. Heel grof gezegd, meer was het niet. Daar bestond ook de kracht in. Die beperking werd wel optimaal gebruikt. Zoiets als Wifi komt pas tien jaar later goed op gang. Grofweg die eerste tien jaar, net iets minder, laten we zeggen de jaren ’90. Het ligt er ook aan waar je op de wereld zat.

Ik las dat er telefoonmodems nodig waren om in te bellen naar DDS om daar toegang tot te hebben.

Zeker dat was zo. Zoiets als Wifi kwam pas tien jaar later goed op gang. Grofweg die eerste tien jaar, net iets minder, laten we zeggen de jaren ’90. Het ligt er ook aan waar je op de wereld zat en wanneer je voor het internet ging gebruiken. Ik kwam het voor het eerst in 1989 tegen maar kreeg pas begin 1993 een eigen email en toegang. Ik gebruikte al wel sinds 1990 een modem om in te bellen bij bulletin board systems.

Ik begreep dat het internet iets was om met oorlogsgebieden in contact te komen.

Ja, natuurlijk. De jaren ’90 is zeker in Europa gedomineerd geweest door de oorlog in voormalig Joegoslavië. Zoals we nu zien bij Oekraïne, dat is vergelijkbaar. Dat klopt, we hebben daar vanaf begin af aan, vanaf ’91 hier vanuit Amsterdam, actief aan deelgenomen om de mensen daar te ondersteunen. Een deel daarvan liep via XS4ALL via Amsterdam. Daar is heel snel in ’92 de organisatie uit voortgekomen. Die zitten nu hier verderop in de straat. Die zijn heel groot geworden.

Het was een zekere mengeling tussen wat we het lokale en het globale noemden. Dat is ook iets wat Amsterdam kenmerkt, om het allebei te doen. Om een lokale scene op te bouwen, die natuurlijk eigenlijk al bestond. In die zin ging het ook om het aansluiten bij initiatieven die eigenlijk al bestonden. Dan het internationale aspect. Daar is toen wel over nagedacht, maar daar kwamen we toen niet zo heel goed uit. Ik denk dat de titel zelf het al heel goed aangeeft, De Digitale Stad. Daar zit de ambivalentie al in. We wilden gewoon heel duidelijk een versterking zijn van de lokale culturele infrastructuur in de stad. Maar ook open zijn voor samenwerkingen en verbindingen naar anderen. En natuurlijk zijn er ook andere zelfde soort initiatieven geweest in andere steden van Nederland. En ook daarbuiten. De bekendste zijn natuurlijk Berlijn, Wenen en nog een aantal plekken. Maar Amsterdam was in de begintijd de grootste. Aan het eind van de jaren ’90, op het hoogtepunt ongeveer, waren de cijfers, die variëren een beetje, ik hou het ergens tussen de vijftig en honderdduizend gebruikers. Het is een beetje de vraag hoeveel daarvan actief waren op welk moment. Het getal moet een beetje gerelativeerd worden, maar desalniettemin waren het er heel erg veel voor die tijd. Dat geeft wel goed aan dat het voor bepaalde groeperingen of bepaalde kritische massa van belang is. En dat wisten we al hiervoor. Dat element was ons niet onbekend. Natuurlijk wisten we dat wel, wij komen van het internet. Dat betekent dat we al heel vroeg het idee hadden dat het internet een netwerk van netwerken is. Dus niet één centrale zoals nu, met Facebook en Google. Die hele monopolisering van platformkapitalisme wat we nu kennen is toen heel actief tegengewerkt. Die strijd hebben we natuurlijk grandioos verloren. We zijn zelf ten onder gegaan, al eind jaren ’90 of begin 2000. Dat soort druk die van buitenaf bestond. Dat wil niet zeggen dat we niet een soort heroïsche pionierstijd hebben gehad waarin we geprobeerd hebben om het een andere kant op te sturen.

Het komt op mij over alsof er een hele ideologie achter zat.

Dat klopt, het had heel anders georganiseerd zouden kunnen worden. Minder centraal. Die strijd hebben we grandioos verloren. Zo centraal is het eigenlijk nog nooit geweest. Dat is natuurlijk een bizar paradox waar we mee te maken hebben. Dat het internet geleid heeft tot een grandioze centralisatie. Terwijl het in essentie een potentie heeft dat vele stemmen gehoord kunnen worden. Die strijd hebben we dus verloren.

Ik ken het internet niet anders dan dat het nu is en ben me er nooit zo bewust van dat negatieve geweest. Ik ken het alleen maar als gemakkelijk en toegankelijk.

De toegang is makkelijk, maar heel veel verder dan dat gaat het niet. Als je je stem wil laten horen, dat is een heel ander verhaal. Daarom heb je nu ook van die merkwaardige klimaatacties. Die komen er eigenlijk alleen maar uit voort dat die mediahiërarchie nu niet heel veel anders is dan veertig of vijftig jaar geleden.

Hoe zag die mediahiërarchie eruit toen jullie aan DDS begonnen?

Dat is een periode, ik denk dat het verval daarvan al is ingezet in de jaren ’80. Maar het bestond natuurlijk uit een soort, wat we nu de consensus van de welvaartsstaat na de Tweede Wereldoorlog kunnen noemen, met daarin een publiek bestel van omroepen, tijdschriften en dagbladen die stond voor een publieke infrastructuur. Die natuurlijk van land tot land verschilt, maar in Nederland hebben we dan een hele specifieke invulling daaraan gegeven met die hele verzuilde structuur van katholieke kranten, protestante voetbalverenigingen, het liberale dagblad en een progressief televisiekanaal. Die verzuiling was een hele Nederlandse definitie daarvan. Daar werd langzaamaan aan geknabbeld naarmate meer mensen toegang tot technologie kregen. In eerste instantie via de stencil en de offsetpers, de piratenradio’s, later ook de televisiekanalen, zoals hier in Amsterdam nog steeds bestaat met Salto. Dat groeide langzaam uit. De kosten daarvan gingen steeds verder naar beneden. Dat is een technologische ontwikkeling. Dat heeft te maken met de komst van de camcorders in de jaren ‘90, het feit dat je dan een videorecorder bij je hebt wat we nu op de telefoon doen. Dat kon je in de jaren ’90 net zo makkelijk doen met een kleine videocamera. Daar is al een voorloper van die al veel gebruikt werd, ook toen al. Datzelfde geldt voor de komst van de mobiele telefoon. Dat is ook jaren ’90. De smartphone die komt dan wat later. Die komt pas 15 of 20 jaar later op de markt. Daarvoor bestond mobiele telefonie al.

Er heeft na de val van de Berlijnse muur en de globalisering wat betreft het medialandschap een hele grote verandering in dat landschap plaatsgevonden. Niet zozeer een technologische verandering. Namelijk de privatisering van de telecomsector. Ik denk dat dat het ook qua internet heel erg heeft veranderd. Daar zaten wij met DDS middenin. In Nederland gaat het heel concreet om de privatisering van de KPN. Die natuurlijk vroeger de PTT heette. Die had een monopolie in die markt tot dan aan toe. Dan zie je dat die markt ineens verandert, daarom hebben we nu KPN en Ziggo en nog een aantal anderen, niet zo heel veel natuurlijk. Want overal zie je dat die monopolyvorming eigenlijk weer helemaal terug is. Dat wat een zogenaamde markt had moeten zijn, dat blijken alleen maar pseudomarkten te zijn. Maar dat is een inzicht van later. Dus die privatisering is eigenlijk op alle vlakken mislukt. De privatisering en zogenaamde marktwerking hebben er allen toe geleid dat er nieuwe monopolies zijn gekomen. In die zin zijn we van de regen in de drup gevallen, omdat we vroeger een door de staat gecontroleerde publieke infrastructuur hadden. Nu hebben we een situatie waarin we monopolies hebben die helemaal niemand kan controleren. We zijn er in de afgelopen 30 jaar in die zin erg op achteruit gegaan als we het hebben over democratische controle in deze sector. Dat zie je overal terug. Die korte fase, wat wij de korte zomer van het internet noemen, daar speelt die DDS in Amsterdam een belangrijke rol in. Ik denk zelf dat dat een periode is die ongeveer 3 tot 4 jaar geduurd heeft op zijn hoogtepunt. Dan hebben we het over de periode ’95 tot ’98, of zoiets, waarin we dachten of claimden dat er een soort publieke infrastructuur mogelijk zou kunnen worden. De commerciële spelers, maar misschien ook wel de staatscontrole. Het was altijd al iets van beide kanten. Zeker als je het bekijkt vanuit de Duitse optiek, waar wij toch ook wel door beïnvloed waren. Die legde heel groot de nadruk op het tegengaan van censuur en staatscontrole in deze hele sector. Die strijd rondom de privatisering van het hele domein wat zelf technologisch heel snel veranderde in een hele korte tijd, had natuurlijk altijd die twee kanten. Dat moeten we blijven zeggen.

Zeker aan de hackerskant hebben we misschien toch te weinig nadruk gelegd op de strijd tegen Facebook en Google. En is er te veel nadruk geweest op de strijd tegen de overheid en de censuur, en de Trojaanse paarden. Ik weet niet wat de overheid allemaal inzet om zijn burgers te bewaken. Dat is natuurlijk nog steeds zo. Dat zie je ook goed in de Libertijnse richting, die bijvoorbeeld Bits of Freedom uiteindelijk is ingeslagen. Een initiatief wat ook uit onze kringen is voortgekomen. DDS heeft heel veel opgeleverd en dat is niet alleen De Waag, Bits of Freedom of Freedom Press Now geworden. Of de mensen die zich bezighouden met het ondersteunen van de internationale solidariteit op dit gebied. Wat natuurlijk nu in Oekraïne heel erg speelt. Zo zijn er heel veel dingen voortgekomen uit die tijd. DDS is in zekere zin roemrijk ten onder gegaan. Het is wel voortgezet door een kleine club mensen, maar heeft niet meer die statuur gehad na 2000, rond die periode.

Het idee en de ideologie klinkt zo mooi. Waren dan die monopolies toch te sterk?

Ik denk dat er op dat moment andere spelers waren die wat groter waren, maar de tendens was heel duidelijk zichtbaar. In de periode waar we nu over praten bestonden Google of Facebook nog helemaal niet. Laat staan andere bedrijven. Google werd opgericht in ’98 en Facebook in 2003. Dat zijn voor ons gezien toch laatkomers en geen pioniers. Dat claimen ze ook niet. Wij vonden onszelf op dat moment ook al geen pioniers meer. Wij gingen zaken implementeren en uitrollen. Waar wij onze taak zagen is om het internet te democratiseren. Dat betekent toegankelijk maken voor iedereen. Daarom heet het ook XS4ALL, toegang voor iedereen. Dat geldt ook voor DDS. De drempel om daaraan mee te doen was heel erg laag. We deden er alles aan om internet toegankelijk te maken voor zoveel mogelijk mensen. Die strijd voor internettoegang, je kan je afvragen waarom we daar zoveel nadruk op hebben gelegd, want dat speelt nu natuurlijk niet meer. Wereldwijd speelt het nog wel, er zijn nog steeds drie miljard mensen die geen internettoegang hebben. Dan kan je zeggen, dat is niet veel, want 5 miljard wel. Voor ons is dat heel belangrijk. In die dertig jaar hebben we de teller zien oplopen. Het is nog steeds een issue dat heel erg van belang is en speelt. Denk aan Oekraïne waar Elon Musk zich gaat interveniëren in die oorlog met internettoegang. Hij speelt daar op de achtergrond een hele belangrijke rol in, omdat hij de satellieten heeft. In de jaren ’90 werd internettoegang via satellieten ook al bepaald. Dat is erg belangrijk.

Dus dat ik internet als iets toegankelijks zie is eigenlijk helemaal niet waar.

Dat kan morgen van je worden afgepakt. Zo makkelijk gaat het. Dat zijn verworvenheden in zekere zin die absoluut niet vanzelfsprekend zijn. En dan hebben we het niet over of je een filmpje of een website niet kan zien. We hebben het over toegang tot internet.

Dan begrijp ik de ideologie achter XS4ALL en DDS ook beter. Ik ken geen wereld waarin ik geen toegang heb tot internet. Ik ben nu over Web 3 aan het lezen.

Web 3 gaat over de monetaire laag die erbovenop wordt gelegd zodat betalingen gedaan kunnen worden. Dat is een reactie op de ideologie van Silicon Valley die al twintig jaar probeert Web 3 tegen te houden, omdat het in strijd is met het eigen verdienmodel. Zij willen dat alles vrij en toegankelijk blijft zodat jullie allemaal op advertenties klikken. Het idee dat mensen ervoor gaan betalen is iets wat Silicon Valley altijd heeft tegengehouden. Vandaar dat zij ook niks met crypto te maken hebben en ze het altijd hebben tegengehouden. Ze willen niet dat wij zelf onze betalingsmodellen gaan regelen. Dat gaat rechtstreeks in tegen hun eigen verdienmodel.

Voor mij lijkt internet altijd gratis, maar ik betaal in data.

Niet alleen in data, maar ook met een abonnement. Dat wordt altijd vergeten, maar dat is er zeker. We staan er niet meer bij stil dat we allemaal thuis voor internet een abonnement hebben waar we maandelijks voor betalen. Internet is helemaal niet gratis. We betalen er letterlijk per maand geld voor. De discussie gaat er nu dan veelal over of mensen die nu content creëren daarvoor ook betaald moeten worden. Facebook en Google zeggen dat dat niet mag. We moeten alles gratis aanbieden, zodat zij dat kunnen faciliteren. Zo blijven alle kijkers op hun advertenties drukken. Het is toch gratis. Anderen zeggen dat als ze hiervoor moet werken ze er ook zelf geld voor moeten verdienen. Zij willen niet afhankelijk zijn van de kruimels die Silicon Valley naar hen toegooit als influencers. Er zijn hele andere verdienmodellen mogelijk. Daar gaat de Web 3 strijd over. Het gaat ook in zekere zin over jouw toekomst. Of jij straks als werk betaald kan worden of dat je bij Albert Heijn werkt en ’s avonds vrij internet hebt. Dat is de toekomst die Google en Facebook willen. Dat jij iets anders gaat doen, maar dat je ’s avonds gratis je content gaat maken. Dat is altijd het model geweest. Het is niet de bedoeling dat een influencer een baan gaat creëren voor zichzelf, want dat willen ze niet. Dan neem je winst af van hen. Wij zeggen dat dat geen toekomst is. Veel jonge mensen zeggen dat. Alleen staan ze niet op tegen Silicon Valley en dat is het punt waar het nu op vastzit. Dat heel veel jongere mensen wel Web3 betalingssystemen willen, maar dat ze niet snappen dat daarvoor eerst de sociale media zullen moeten verdwijnen. En de gratis cultuur collectief de nek moet worden omgedraaid om te komen tot een rechtvaardig betalingssysteem. Silicon Valley gaat dat niet voor ons bouwen, want waarom zouden zij hun eigen graf gaan graven? Zij zullen tot aan het einde toe volhouden dat het internet leuk en gratis is en dat jij dat geweldig vindt. Daar gaat de grote strijd over. We zijn met 5 miljard dus je bent niet alleen. 5 miljard gebruikers en er komen er per jaar een paar honderd miljoen bij.

Wat vindt je dan van NFT’s? In je boek bent je daar kritisch over.

Dat is een interne discussie. Dat gaat eerder over rechtvaardige, democratische en open vormen om te komen tot die peer-to-peer betalingen zodat wanneer ik naar een film kijk van jou ik jou ook kan betalen en daar niet een andere partij, zoals Ethereum, voor ga betalen. Ik wil jou betalen, niet hun. Daar gaat de NFT-discussie over. Die gaat niet over of kunstenaars geld mogen verdienen met hun eigen werk, want daar hebben ze niet alleen recht op maar dat zullen we ook goed moeten gaan regelen. Het gaat om de vraag welke rol andere partijen daarin spelen. Waarom heb je zo’n hele ingewikkelde crypto-wallet nodig? Hoeveel wordt door derden daaraan verdient? Dat is een discussie voor ons. Het hoofddoel blijft dat eerst de gratis economie van Google en Facebook zal moeten worden uitgeschakeld om tot dat punt te komen. Dan gaat het ook om de vraag, moeten dat soort betalingen via gecentraliseerde platforms lopen of niet? Volgens de cryptowereld moet dat wel en volgens onze moet dat niet. Ook daar speelt de vraag wat de rol is van decentrale netwerken. Elke dag wordt dat weer bepaald. Heel veel mensen nemen elke dag besluiten over hoe de toekomstige architectuur eruit zal gaan zien. Daarin spelen experimenten een belangrijke rol, dat weten we uit de tijd van DDS. We weten ook dat we niet naïef moeten zijn en we de strijd kunnen verliezen. Maar wij denken dat die belangrijk genoeg is. Wij denken dat het een strategische technologie is en dat het al dertig jaar lang strategisch is. De architectuur van deze technologie bepaald onze toekomst. Hoe we werken, geïnformeerd worden, met elkaar communiceren en ons geld verdienen.

Hoe ik de metaverse in een ideaal scenario voor me zie, is dat ik hoop dat het wordt zoals het concept van DDS was. Toegankelijk. In mijn hoofd waren NFT’s daar al een goed voorbeeld van, want het geld gaat naar de maker. Ik realiseer me dat dat niet het geval is.

Daar moet je dan misschien een NFT-kunstenaar voor zijn om dat aan den lijve te ondervinden. Het is onze taak om niet alleen mooie verhaaltjes te verkopen, maar met de mensen experimenten te doen en te laten zien wat wel en niet werkt. Dat is het belang van het doen van experimenten. En niet alleen het doen ervan, maar er ook over berichten wat er wel en niet werkt. En daar ligt dan specifiek mijn, of onze, taak wat we hier doen. Wij moedigen meer experimenten aan. We staan niet aan de zijlijn te mokken dat alles niet werkt. Ik doe dit al dertig jaar, als dat de mentaliteit was, was ik al snel afgehaakt. Het gaat erom dat je wel degelijk geloofd dat experimenten het verschil kunnen maken.

 

Vindt je mijn positiviteit over de metaverse naïef of zie je er toch hoop in?

Bij de metaverse is het zo dat de puinhoop van het internet heel snel kan worden vergeten en gedacht kan worden “laten we opnieuw beginnen”. Dan geven we het een andere naam doen we net alsof er niks is gebeurd. Maar zo werkt het niet. In die zin is het een goede vraag. Kunnen we opnieuw beginnen? Kunnen we het anders inrichten? Daar sluit ik me bij aan. Als het dan de metaverse heet, dat maakt niet uit. Ik denk alleen dat een bedrijf dat zo’n dubieuze reputatie heeft…

Meta van Mark Zuckerberg?

Ja. … dat uitgerekend zij niet degene zullen moeten zijn die zonder enige kritische blik op de schade die ze allemaal hebben aangericht in weet ik veel hoeveel landen en hoeveel autoritaire regimes ze wel niet ondersteund hebben of in het zadel hebben geholpen en censuur… dit is een bedrijf wat echt een hele dubieuze reputatie heeft. Nu ook weer, vandaag de dag, ondersteunen Marck Zuckerberg en alle mensen van Meta de Moellahs in Iran. Ze zijn heel actief bezig met het censureren van internet in Iran tegen de mensen die protesteren. Dat is de rol van Facebook. Facebook staat helemaal aan de andere kant. Daar is heel veel bewijs voor. Waar hebben we het dan nog over? Dit zijn mensen met hele vuile handen. Waarom zouden zij dan uitgerekend de persoon moeten zijn om een open en democratische nieuwe vorm van internetcultuur met de naam Metaverse te bouwen? Ik denk dat heel veel mensen het idee hebben dat zij moreel failliet zijn. DDS is gewoon een historische episode. Zo zie ik het zelf.

Wat maakte dat DDS zo goed aansloot in Amsterdam?

Ik denk dat het te maken had met het feit dat de mensen die het runde al wat ouder waren. En dat we allemaal al veel ervaring hadden en contacten in de stad. En dat er een soort besef ontstond dat Amsterdam qua onafhankelijke media-infrastructuur een belangrijke vernieuwer zou kunnen zijn. Op de achtergrond spelen de fundamenten die daarvoor zijn gebouwd, misschien al in de jaren ’70 en ’80. Vanuit die periode is DDS eigenlijk een eindpunt van een ontwikkeling. Aan de andere kant kan je zeggen dat het een pionier is van het begin van het internet. Zo beschouw ik het zelf niet. Ik zie het zelf als een heel mooi democratisch eindpunt van een ontwikkeling. Daarom was het zo succesvol. Omdat de mensen die er toen aan meewerkte al veel politieke en culturele ervaring hadden in de stad en in het werken met technologie en onafhankelijke media. We hebben dus al heel veel werk in de jaren ’70 en ’80 gedaan. In het eindpunt daarvan kwam DDS.

Eén van de belangrijke premisses of infrastructuren op de achtergrond is het werk dat gedaan is op het Amsterdam Science Park aan de Universiteit van Amsterdam. In begin van de jaren ’80 is Amsterdam Internet Exchange opgericht. Toen is, vanuit de groep mensen die daar bij Informatica en Wiskunde zaten bij het CWI, besloten dat Amsterdam een belangrijk internetknoopunt in de wereld zou moeten worden. Die besluiten zijn eigenlijk al in de jaren ’70 gevallen en dat is toen in de jaren ’80 daar systematisch uitgebouwd. DDS bouwt daarop voort. Als we de infrastructuur en kennis daar niet hadden gehad was het allemaal veel moeilijker geworden. De andere reden is de grote kraakbeweging in de jaren ’80. Namelijk het opbouwen van onafhankelijke culturele plaatsen inclusief een eigen communicatienetwerk van vrije radio’s, kranten, nieuwsberichten en zelfs belangrijke video- en televisie-experimenten op Salto. De launch van DDS vond in De Balie plaats. Dat was toen een hele belangrijke plek voor de onafhankelijke ‘tactische’ mediastructuur. Een soort schakel tussen de pre-neoliberale sociaaldemocratische elite in Amsterdam en de autonome sociale bewegingen die ook op cultureel en politiek vlak een belangrijke rol speelde. Dus daar kwamen die twee dingen al een beetje bij elkaar. Die dingen kwamen dan samen in het begrip tactische media waar we in ’93 mee begonnen, maar wat eigenlijk al heel veel voorlopers had gehad. Namelijk dat je allemaal verschillende onafhankelijke mediastromen op elkaar kan afstemmen en op elkaar kan schakelen. De launch van DDS die mensen nu nog kennen, dat is zo’n moment. Op die zaterdagavond in De Balie waar DDS werd gelanceerd. Hoe werd dat gedaan door ons? Door een live uitzending van De Balie op Salto. De launch van DDS was een soort kunstachtige live uitzending op de lokale televisie. Dat geeft al goed aan dat het verhaal als het ware bestond uit lagen.

Je hebt natuurlijk de progressieve, sociaaldemocratische achtergrond die toen nog geloofden in publieke diensten. Veel gemeentediensten, en wat we nu kennen als Amsterdam.nl, de website van de gemeente, begonnen op DDS. Dat geldt ook voor de Openbare Bibliotheek, oba.nl. Er zijn heel veel van dat soort voorbeelden van beginnen die zijn gemaakt met besef van openbare digitale infrastructuren. Al heel snel zijn die dingen onafhankelijk geworden. Daar ging het DDS niet om. Het ging erom dat het een soort vliegwiel moest zijn voor bepaalde ontwikkelingen. Misschien hebben we het in die periode verkeerd aangepakt. Vanuit een bedrijfsoptiek was het een grote chaos. En in vergelijking met nu was het heel erg afhankelijk van gemeentesubsidies in die periode. Dat heeft de zaak ook uiteindelijk opgebroken toen in ’98 het internet zelf helemaal commercieel was geworden. De gemeentesubsidieaanpak werd eerder een blok aan het been om verder door te groeien. Dat is ook het einde van DDS geweest. Vlak voor de eerste dotcomcrisis, toen stortte het hele internet helemaal in elkaar, omdat al het speculatieve geld vanuit de beurzen in één klap helemaal verdween. Dat is de dotcommania en dotcomrecessie geweest. Daar is DDS ook aan ten onder gegaan.

Het is wel doorgegaan, omdat er veel uit is ontstaan.

Dat klopt. Het meest zichtbare is natuurlijk De waag. Die is eigenlijk direct in het kielzog van DDS ontwikkeld door Paradiso en De Balie in eerste instantie. Vanaf ’95 werd dat gewoon een onafhankelijke plek. Dat was ook mijn eerste werkgever. Ik ben van de eerste generatie. Ik heb daar vier jaar gewerkt.

Ik wil graag een versie van DDS in de metaverse.

Dat is heel goed mogelijk. Veel mensen zullen dat ook ondersteunen. Het draagvlak voor die ideeën is best groot. En die strijd gaat gewoon gevoerd worden de komende jaren. Zeker in Europa. Misschien elders in Europa niet zozeer, maar hier wel.

Ik had zo graag bij DDS aanwezig willen zijn, omdat alles toen vernieuwend was.

Die mogelijkheden ontwikkelen zich elke dag weer, gewoon omdat er weer andere uitdagingen zijn. Ik kan me voorstellen dat dat ook weer terug gaat komen, want ik zie je hele verbazing over het toegankelijkheidsvraagstuk. Het hangt heel erg af van waar we met de hele wereldpolitiek heen gaan. We zullen niet verbaasd moeten zijn dat het op een gegeven moment weer heel erg belangrijk gaat worden. We weten dat ook van elektriciteit, water en gas. Niets is vanzelfsprekend. We kunnen er wel vanuit gaan dat dat zomaar uit de kraan komt of dat het internet zomaar uit kabelmodems vloeit, maar dat is gewoon niet zo. Er hoeft maar één ding tussen te komen en het verhaal is afgelopen. Dat zie je nu heel goed met het gas. Dat kan net zo goed met elektriciteit en internet gebeuren. We nemen aan dat het allemaal op de achtergrond goed voor ons is geregeld, maar dat kan opeens heel anders uitpakken. Als je denkt aan gas dan komt het zeker deze winter heel dichtbij. Een jaar geleden was het misschien heel hypothetisch geweest wat ik nu zeg. Deze winter wordt het opeens een heel ander verhaal. Dan zullen veel mensen misschien nog niet de link leggen tussen gas en internet. Die is er natuurlijk niet in het dagelijks leven, maar als je het vanuit de infrastructuur bekijkt is die er wel.

Ik lees wel verhalen over Facebook, maar het klinkt gewoon bijna niet geloofwaardig dat dat kan. Ik kan het gewoon niet omvatten.

Er is bij andere generaties misschien ook een soort zekerheid. Zij hebben in een andere wereld gewoond en gebivakkeerd waarbij Facebook helemaal niet bestond. Het idee dat dat zomaar een vanzelfsprekendheid is, dat is voor generaties vóór 2003 heel anders. Het idee dat je je sociale netwerk anders zou kunnen organiseren, dat is voor ons niet utopisch. Dat is een realiteit die wij, in een hele korte periode, anders hebben georganiseerd en anders hebben ervaren. Dat je weet hebt dat alternatieven mogelijk zijn. Dan kijk je tegen het bestaan heel anders aan. Dat wil niet zeggen dat je het niet mag gebruiken, want daar gaat deze discussie niet over. We hebben het niet over een verbod op Facebook. We hebben het over andersoortige alternatieven kunnen aanbieden, die superieur zijn. En misschien ook beter passen bij onze democratische cultuur en gebaseerd zijn op hele andere normen en waarden. Dat is heel goed mogelijk. Waarom niet? Waarom zou dat opeens niet kunnen? Waarom zouden we het als een gegeven moeten aannemen? Dat hoeft helemaal niet. Je moet het dan wel bouwen en onderhouden. Het zijn niet alleen maar leuke voorstellen. Het moet ook functioneren. Dat onderhoud is een belangrijk onderdeel van het verhaal. Dat bediscussiëren we tegenwoordig in andere contexten als duurzaamheid. Dat geldt net zo goed voor IT en de internetinfrastructuur. Waarom zou die opeens niet duurzaam moeten zijn?

Lieve Baetens is een vierdejaarsstudent Cultureel Erfgoed aan de Reinwardt Academie. Lieve’s interesse voor de metaverse komt voort uit een verlangen om net zoiets bijzonders mee te maken als de opkomst van het internet, waar alles vernieuwend was. Naast het schrijven van haar afstudeeronderzoek werkt Lieve bij het Volksbuurtmuseum in Utrecht. Als collectiemedewerker houdt ze zich bezig met het digitaal beschikbaar stellen van de originele fotocollectie uit de twintigste eeuw voor publiek. Haar vrije tijd besteed ze aan haar liefde voor podiumkunsten bij Theater Utrecht als stagiaire van de Raad van Toezicht en als lid van de commissie Externe Relaties bij de studententoneelvereniging STUK.

 

Share