Netwerken of Niet-werken?

Hogeschool van Amsterdam, lectoraat Interactieve Media, Openbare Les, uitgesproken op 24 februari 2005

Iedereen heeft wel eens de impuls gehad de computer uit het raam te willen gooien. We krijgen het virus niet meer uit de machine verwijderd, we zien door al die honderden spamberichten het bos niet meer, een Trojaans paard is binnengedrongen of erger nog: onze online identiteit is gestolen en iemand is er met onze creditcard gegevens vandoor. Of er is heimelijk een auto-dailer op je PC geinstalleerd, die uit zichzelf dure betaalnummers belt. We hebben het hier niet zomaar over ongewenste bijwerkingen van een nieuw medium in opmars. Na zestig jaar computergeschiedenis kunnen we niet langer kinderziektes als excuus opvoeren. De informatie overstromingen die we dagelijks op ons beeldscherm doormaken, liggen diep verankerd in de architectuur van de netwerken die al sedert decennia in aanbouw zijn. De vrijheid van informatie is een kostbaar goed, waar we nu een hoge prijs voor betalen. Wie, met Karl Popper, strijdt voor een ‘open samenleving’ dient zich te realiseren wat het betekent als zulke Koude Oorlogsretoriek wordt ge•mplementeerd op het gebied van computer netwerken. Wie pleit er nog voor open netwerken in tijden dat 80% van het Internetverkeer uit spam bestaat?

In de retoriek rond de kenniseconomie is een belangrijke rol weggelegd voor het netwerken. De kenniswerkers dienen voortdurend hun netwerk uit te breiden en te onderhouden. Zij doen dat voornamelijk met behulp van technologie, die ons daarbij veelal in de steek laat. Ook is weinig bekend van de schaduwzijden van het netwerken, namelijk dat er niet alleen harmonisch wordt samengewerkt maar dat er ook conflicten ontstaan.

Een ge•nformeerde burger, zo zouden we kunnen stellen, is iemand die de kunst van het filteren verstaat. Daar ligt het beginpunt van wat wij hier vanmiddag bespreken: de netwerkcultuur. Netwerken zijn meer dan aan elkaar gekoppelde computers. De netwerken waar we het hier over hebben zijn sociale structuren die een wisselwerking aangaan met de technologie. In tijden van versnelde veranderingen en een sterke groei in het aanbod van software, wikis, weblogs etc, raken we al snel overweldigd. Met wie begin ik een conversatie en wat voor bestanden gooi ik weg? Welke discussies volg ik op afstand en waar schrijf ik al dan niet een reactie op? Met wie gaat ik een online verbintenis aan? Welke informatie kan ik vertrouwen? Op welke plek zet ik mijn digitale foto’s neer op het Net? Wat moet ik doen als plots duizenden mijn online dagboek blijken te lezen? En vooral ook: hoe onderhoud ik het opgebouwde netwerk zodra het enthousiasme van de kennismakingsfase is wegge‘bd?

Wat mij altijd ge•ntrigeerd heeft is hoe de sceptische uitspraak ‘networking is notworking’ gelezen zou kunnen worden. Er zijn twee betekenissen van deze uitspraak: de ene is ouder en verwijst naar het niet-productieve aspect van het sociale netwerken. De andere betekenis is het niet functioneren van computernetwerken. Er is vandaag de dag heel wat wijsheid nodig om computernetwerken op een effectieve manier te integreren in de dagelijkse werkpraktijk. Werd eind jaren negentig het ontwrichtende karakter van de invoering van nieuwe technologie‘n nog bejubeld, vandaag de dag kan dat nog nauwelijks verdedigd worden. Al vele jaren houden arbeidssociologen zich bezig met de vraag of het netwerken al dan niet onderdeel uitmaakt van de productieve arbeid. In de context van onze opleiding interactieve media betekent dat bijvoorbeeld: kan je creativiteit eigenlijk wel leren–en meten–en hoeveel van die creativiteit verkrijgt men online via anderen? Netwerken kan ook gelezen worden als een subversieve daad om te ontsnappen aan wat je team manager definieert als ‘zinvol werk’. Bezien vanuit het ‘recht op luiheid’ (zoals beschreven door de Parijse econome Corinne Maier in haar boek Bonjour Paresse) is het netwerken een ambivalente bezigheid. Het vervaagt de grens tussen werk en vrije tijd. Internet houdt je van je werk maar is tegelijkertijd ook je werkplek. Wie minder wil werken doet er beter aan om offline te gaan– en dat is een tendens die we in de meeste Westerse landen dan ook zien gebeuren.

De vragen die hier de revue passeren kunnen alleen aan de orde worden gesteld als we de technologie push even terzijde leggen. Naar mijn mening is de wereld van de informatie technologie teveel be•nvloed geraakt door marskramers die hun waar moeten slijten. Als je je maar lang genoeg omgeeft door positieve PR-praat, ga je er nog zelf in geloven. Dat is de computer branch in de jaren negentig overkomen. In het superioriteits-denken dat het geloof in marketing met zich meebracht, is geen plaats voor kritiek of reflectie. Dat is iets voor losers en spelbedervers. Computertechnologie kent geen schaduwkanten, alleen tijdelijke problemen. Structurele fouten bestaan niet. In een sneltreinvaart is de IT sector geritualiseerd en kunnen opgeblazen begrotingen en ineffici‘nt gebruik van dure en slechte software niet meer worden aangekaart. Het enige waar nog over kan worden gecommuniceerd is de bug–en die wordt morgen gefixt, zo wordt ons beloofd.

Gezien de snelle ontwikkelingen op Internetgebied is het goed stil te staan bij de drie fasen die dit medium de afgelopen decennia heeft doorgemaakt. Ik heb deze driedeling in recente boekpublicaties als Dark Fiber en My First Recession uitvoerig behandeld. In de eerste fase, tot begin jaren negentig, was Internet alleen toegankelijk voor academici. Alles was publiek domein, er was alleen geen publiek. Er bestonden wel commerci‘le computernetwerken, zoals AOL, Prodigy en Compuserve, maar die waren niet aan elkaar gekoppeld. Eind jaren tachtig werden pc’s van modems voorzien en ontstond er een levendige bulletinboard cultuur. Programmeurs en gebruikers waren veelal een en dezelfde persoon. De vrije uitwisseling van software en informatie, zo kenmerkend voor het huidige Internet, gaat terug tot deze tijd.

Rond 1993 breekt de tweede, speculatieve periode aan, die wordt ingezet door het openen van het Internet voor particulieren en bedrijven en de introductie van het World Wide Web met bijbehorende browsers. Deze ‘dotcom’ fase kan niet losgezien worden van de bredere ‘roaring nineties’ context, die gekenmerkt werd door privatisering, neoliberaal marktdenken, opgevoerde consumptie en beursgericht ondernemen.

Thans bevinden we ons midden in de derde, consoliderende fase, die ik zou willen kenmerken als de ‘massificatie’ van het medium. Ik twijfel erover dit de ‘democratisering’ van het medium te noemen, want daar zijn we volgens mij nog niet aan toe. Het globale beheer van het Internet als medium kan allerminst als democratisch worden getypeerd. Dit is het onderwerp van de World Summit on the Information Society, een door de Verenigde Naties bijeengeroepen wereldtop die voor het eerst in december 2003 in Genve bijeenkwam en die voor een tweede maal in November 2005 in Tunis plaatsvindt. De schaalvergroting van de afgelopen tien jaar is nog niet vertaald in een democratische besluitvormingsstructuur die een afspiegeling vormt van de huidige demografie van gebruikers. Naast de vraag wie er het zeggen heeft over het Internet gaat deze top over het dichten van de digitale kloof en welke rol nieuwe media spelen in de ontwikkelingshulp.

Na de ineenstorting van de beursen en de elfde september 2001 heeft het libertaire marktvertoog van de dotcoms plaatsgemaakt voor een autoritaire technocratie die geobsedeerd is door veiligheids-denken. In het kader van de wereldwijde ‘Oorlog tegen de Terreur’ dient de online vrijheid aan banden te worden gelegd. Het globale medium wordt getemd, zonder dat er een alternatief model wordt geboden voor de globaliseringmodellen uit de jaren negentig, hetgeen leidt tot vreemde paradoxen op het gebied van beleid.

Wat het Internet na 2001 tevens typeert is de veelal onzichtbare groei van het aantal gebruikers in niet-westerse landen. Terwijl het gebruik in de VS en Europa zich stabiliseert of zelfs iets afneemt, groeien de nieuwe media het sterkst in landen als Brazili‘, India en China. Wat deze verschuiving voor de globale netwerkcultuur betekent valt op dit moment nog moeilijk te zeggen. Dit is zeker een van de aandachtsgebieden van het lectoraat.

Een van de voorlopers van het bestuderen van netwerkcultuur door het lectoraat is het nettime project, een verzameling email discussielijsten die ik in 1995 samen met de Berlijnse kunstenaar Pit Schultz oprichtte. Tien jaar geleden was ons wensenpakket nog redelijk overzichtelijk. Tegenover de hype, die werd aangewakkerd door onwetende journalisten, stelden wij voor dat er een nieuw genre, genaamd netkritiek, zou moeten worden ontwikkeld dat op een intellectueel hoogstaand niveau een eigen vocabulaire en referentiesysteem zou ontwikkelen. Niet elke filmrecensie hoeft uit te leggen wie Hitchcock was en we hoeven niet keer op keer in de krant te lezen dat Shakespeare een Engelse toneelschrijver was. Toch gebeurde dat met Internet wel. Nergens heeft de infantilisering van de massamedia zo toegeslagen als op het gebied van Internet.

Tien jaar later kunnen we helaas niet zeggen dat er al zoiets bestaat als ‘netkritiek’. In die zin is het nettime project mislukt. Wat wij met nettime nastreefden was te algemeen, te ambitieus. Discussielijsten en weblogs die tegenwoordig wel succesvol zijn opereren op specifieke deelterreinen, zijn maar een paar maanden interessant en hebben veelal een regionale of lokale focus. Toegegeven, de hoeveelheid artikelen in de ‘oude media’ over Internetverschijnselen is enorm toegenomen, maar het niveau blijft laag. Er wordt ten onrechte van uitgegaan dat dit ‘nieuwe medium’ nog gepopulariseerd moet worden. Neem het NRC van 19 februari 2005 met daarin een artikel van Herbert Blankenstijn over Wikipedia, de online encyclopedie waarin iedereen veranderingen kan aanbrengen. Wat het artikel verzuimt te vermelden zijn de spambot aanvallen die de wiki software op dit moment teisteren. Zij vormen een direct gevaar voor de open architectuur van de wikis. Zonder deze relevante en recente informatie horen we maar de helft van de online realiteit.

Net als mediatheorie niet de inhoud van het media aanbod bespreekt maar de structuur achter de boodschap bestudeert, kijkt netkritiek niet naar wat er op een website te lezen of te zien valt–hoe interessant het ook moge zijn wat nostalgische dertigers op www.schoolbank.nl zoal uitvinden over hun eerste liefde. Waar de belangstelling van netcritici naar uitgaat zijn de zoekalgoritmen achter zo’n site, hoe met privacy wordt omgegaan, welke browsers gebruikt worden, hoe de onderliggende database in elkaar zit, wat het businessmodel van de site is en welke mogelijkheden de grafische interface de gebruiker biedt.

Bij het in kaart brengen van Internetcultuur gaat het niet louter om consumenten onderzoek. Centraal staat voor mij de innovatieve, of laten we zeggen, eigenwijze positie van de gebruiker, die ook wel met een onhandig woord ‘prosumer’ genoemd wordt (een samenvoeging van producent en consument). Nieuwe media gebruikers zijn, ideaal gezien, niet langer passieve consumenten maar dragen zelf actief bij aan de richting waarin de technologie zich verder ontwikkelt. Ik ben me ervan bewust dat dit een normatieve positie is. Het tweerichtingsverkeer van de nieuwe media kunnen we niet als gegeven beschouwen. Interactiviteit is in wording en dient actief te worden vormgegeven anders vervallen deze media door monopolievorming en overheidsregulering vanzelf weer in top-down kanalen. Bij een medium in wording, zoals het Internet, kan de architectuur nog worden be•nvloed. Dat is de reden waarom zo velen, net als ik, zich tegen de ontwikkeling van het Internet aan bemoeien.

In de derde fase waar we nu in zitten zien we ook het ontstaan van zogenaamde ‘sociale netwerken’. Clay Shirky uit New York is degene geweest die een theorie heeft ontwikkelt die specifiek over het Internet gaat en de sociale dynamiek binnen blogs en mailinglijsten beschrijft. Zogenaamde ‘social software’ dreigt zelfs een hype te worden. Natuurlijk is het interessant om het Internet te plaatsen binnen de wetenschappelijke literatuur over netwerken, zoals die van Barabasi, Watts, Buchanan, etc. In plaats van te werken aan een speculatieve, algemene netwerk theorie, meen ik dat het in deze derde fase erop aankomt specifieke deelstudies te doen. Wat nieuwe media nodig hebben is kritisch-empirisch materiaal. Er is geen gebrek aan toekomst. Ook zou het niet gek zijn de eigen geschiedenis in kaart te brengen. Voordat we overal en nergens netwerken gaan ontdekken, is het voor de nieuwe media sector essentieel eerst de eigen zaak voor elkaar te hebben. Voordat de confrontatie met beta wetenschappen zoals biologie wordt aangegaan dient naar mijn mening eerst te worden gekeken wat de ‘eigenzinnigheid’ van het medium is, zoals de Zwitser Giaco Schiesser het noemt.

Je zou kunnen zeggen dat zolang het Internet bestaat er sociale structuren hebben bestaan, bijvoorbeeld op mailinglijsten, in nieuwsgroepen en op bulletin boards. Door schaalvergroting heeft zich echter een kritische massa gevormd waardoor binnen een paar maanden tijd zich letterlijk miljoenen mensen zich rond een nieuwe website of applicatie groeperen. Dit gebeurde recentelijk met Friendster, LinkIn, Wayn, Hi5, Orkut en Flickr. Weblogs en telefoneren via Internet zijn ander voorbeelden. Bij dit zwermgedrag trekken grote groepen gebruikers van de ene ‘coole’ website naar de andere.

Neem Flickr, een nieuwe ‘social software’ site waar men geen tekst aan toevoegt maar beelden uitwisselt. Degene die de foto’s plaatst kan familie, vrienden en collega’s uitnodigen om de foto’s te bekijken en te bestellen. Ook binnen sociale netwerken als LinkedIn of Orkut moet de gebruiker zelf links aanbrengen met de mensen die hij kent en die tot zijn groep behoren. Bij Flickr worden netwerken ook op een andere manier gevormd – de korte commentaren en categorie‘n die gebruikers toekennen aan hun eigen foto’s, zijn namelijk doorzoekbaar gemaakt voor anderen. Wie een zoekterm invoert, krijgt toegang tot een universum van beelden en de mensen die ze gemaakt hebben. ‘Tagging’ – het toevoegen van een titel aan de foto’s – wordt zo een nieuwe manier om sociale netwerken vorm te geven. Flickr zou ook gezien kunnen worden als een primitieve voorloper van video databases waarbinnen gebruikers, bijgestaan door zoekmachines, filmfragmenten met elkaar gaan uitwisselen.

Een van de belangrijkste redenen van de populariteit van de online sociale netwerken zit ‘m in het feit dat nieuwe gebruikers alleen kunnen worden uitgenodigd door deelnemers die al binnen het netwerk actief zijn. Ze zijn, zolang het duurt, afgeschermd tegen spam. Het zijn dus, strikt genomen, gesloten netwerken. Zulke systemen hebben een zekere intimiteit omdat men net doet alsof geen anonimiteit bestaat. Gebruikers houden met elkaar de schijn op dat ze waarheidsgetrouwe informatie uitwisselen. Het pseudo-exclusieve karakter slaat echter om in het tegendeel. Het resultaat van het invoeren van een categorie als ‘vertrouwenswaardige persoon’ is dat de systemen bezwijken aan hun eigen populariteit. Nieuwsgierige nieuwkomers die trots gebruik gaan maken van hun uitnodiging, komen niet veel verder dan wat vrijblijvend in het rondte klikken. Dit is een van de schaduwkanten van het uitnodigingsparadigma die op zijn beurt weer een logische reactie vormt op de open netwerken waar iedereen zich, vaak anoniem, bij aan kan sluiten.

Het idee van het Internet als massamedium klinkt vanzelfsprekend, maar is het geenszins. Nog steeds wordt er door opiniemakers denigrerend, en met een zekere angst, neergekeken op al die nieuwe media. Nu al tien a vijftien jaar worstelen zowel sociale wetenschappen als de geesteswetenschappen met dit nieuwe gebied. Dit komt voornamelijk omdat nieuwe media moeilijk te plaatsen vallen binnen bestaande disciplines die zich door de snelle groei van de nieuwe media ge•ntimideerd voelen. Er is grote vraag naar nieuwe mediavakken, maar wat kan het aanbod zijn? Internet is geen film, krant of televisie, maar ook niet alleen een antropologisch interessant fenomeen. Het Net heeft zo’n impact op de samenleving dat het niet gereduceerd kan worden tot een puur technische aangelegenheid. Het kan als afzonderlijke discipline moeilijk afgebakend worden omdat het ingrijpt op de werkwijze van alle kennisvelden.

De dag en weekbladen hebben bijdragen aan het probleem dat Internet niet serieus genomen wordt. In het begin hebben zij getracht het fenomeen te negeren en belachelijk te maken om het vervolgens op het laagst mogelijke niveau aan te prijzen als koopwaar. Populistische berichtgeving over de opkomst en crash van Internetindustrie en het maar blijven uitleggen hoe Internet werkt, hebben er een verlammende werking om het nieuwe mediavertoog gehad en ervoor gezorgd dat er nog steeds geen hoogwaardige onderzoekstraditie in dit land bestaat. Ook de opleiding interactieve media aan de HvA dreigde in eerste instantie een ‘dotcom’ opleiding te worden. De oprichting viel echter samen met de dotcom crash van 2001. Met de komst van directeur Emilie Randoe is de nadruk komen te liggen op duurzame ondernemersmodellen in de nieuwe mediasector die niet gebaseerd zijn op risicokapitaal en beursgang. Hierin past de herwaardering van het innovatieve karakter van het digitale publieke domein.

Waarom is het zo moeilijk voor de babyboom generatie die het nu voor ‘t zeggen heeft, om het medium Internet serieus te nemen? Nogmaals, het gaat bij Internet niet om de ‘dode’ informatie die je erop kunt vinden maar om het benutten van andere wijzen van communiceren. Google heeft het journalisten wel erg gemakkelijk gemaakt om eerste klas artikelen van het Net te plukken en in de krant af te drukken. Maar Internet kan niet worden gereduceerd tot een globale bibliotheek. Denk maar eens aan MSN en andere chatgroepen en wat voor nieuwe, informele structuren die genereren. Iedereen zal op de hoogte zijn van centrale betekenis van Internet communicatie voor Mohammed B. en de Hofstadgroep. Een van mijn collega’s, Albert Benschop, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en docent van de Webklas aan de HvA doet hier al enige tijd onderzoek naar. Hij was online op de dag van de moord op Theo van Gogh en verzamelde cruciale data die een dag later alweer uit de publieke fora waren verdwenen.

Het Internet speelt ook een rol in het algemene debat over integratie en wat er nog over zou zijn van de ‘Nederlandse identiteit.’ In het NRC van 12 februari 2005 pleitte Paul Scheffer voor een ‘herwaardering van de Nederlandse cultuur.’ Als vanzelfsprekend wordt het Internet in deze context opgevoerd als een van de oorzaken van de teloorgang van het typisch Nederlandse. Terecht klaagt Scheffer over de tientallen miljoenen die het PCM concern eind jaren negentig heeft verspild aan dure software en consultants. Desalniettemin speelt Scheffer oude en nieuwe media tegen elkaar uit zonder te begrijpen dat het Internet allang een massamedium is geworden met zijn eigen codes, omgangsvormen en sociale gedrag. Volgens Scheffer zorgt het medium krant ‘dagelijks voor een gedeelde leeservaring en zo voor gemeenschappelijke referenties die een betekenisvol meningsverschil mogelijk maken.’ Het Internet, met zijn ‘versnipperde informatie’ zou volgens Scheffer een geheel andere uitwerking hebben. ‘Daar volgt de lezer vooral zijn individuele voorkeuren.’ Wat hier uit het oog wordt gezien is het belang binnen de huidige netwerkcultuur van gemeenschappelijke ervaringen en gedeelde referenties zoals links. Wat Scheffer aanziet voor het toppunt van individualisering is in feite ook niet veel anders dan gestuurd sociaal gedrag.

Al sinds eind jaren negentig heeft het Internetgebruik zich gereduceerd tot een beperkte hoeveelheid websites. Statistieken die op het Net te vinden zijn wijzen erop dat het gebruik allerminst gefragmenteerd is. Het doelloos websurfen door cyberspace mag dan hedonistisch aandoen, maar is niet iets waar je jaren lang mee doorgaat. Jongeren gebruiken Internet zeer gericht: ze zoeken, chatten gamen en downloaden muziek. Ze verdoen hun tijd niet en beheersen het medium prefect, zij dat dan dat zij excentrieke geste van de datadandy missen. Ze hebben geen afstand tot het medium, en daarom ook een minder kritische houding, ook al weten ze als geen ander wat wel en niet werkt.

In mijn boek Dark Fiber heb ik een oproep gedaan sociaal gedrag op het Internet serieus te nemen. Een mogelijkheid daartoe is terug te keren naar de discipline van de massa psychologie, een van de vele voorlopers van de mediatheorie, een politiek-strategische wetenschap uit het Interbellum en de Koude Oorlog. Eigenlijk zou het Baschwitz instituut, waar ik nog zelf begin jaren tachtig massa psychologie studeerde en dat door de Universiteit van Amsterdam gesloten werd en opging in communicatiewetenschappen, nieuw leven ingeblazen moeten worden. De opkomst van ‘smart mobs’, een populaire term uit de weblog wereld en tevens de titel van het laatste boek van Howard Rheingold, is hier een indicatie voor. Nieuwe media cre‘ren hun eigen massa’s, kleine zwermen die zich gericht verplaatsen en waar nodig toeslaan. Er is veel informatie over het gedrag van smart mobs beschikbaar aangezien men online zoveel sporen achterlaat. De Internetmassa’s zijn alleen niet meer grijs. Ze zijn bont en carnavalesk en interesseren zich in de verste verte niet voor het veroveren van politieke macht. We hoeven niet meer bang te zijn voor het eventuele primitieve en dierlijke gedrag van zulke mobs die enkel en alleen gedreven zouden zijn door totalitaire ideologie‘n. Er zijn weliswaar fundamentalistische groeperingen op het Net actief, maar niet iedere vorm van samenscholing hoeft met een veiligheidsbril bekeken te worden. Dat maken de sociale netwerken wel duidelijk.

Wat voor mij vaststaat is dat het sociale weefsel op het Net alleen maar dichter wordt. Vanuit een politiek oogpunt is van belang niet alleen te kijken naar ‘online gedrag’ maar ook wat voor organisatievormen er uit netwerken voortkomen. Vanuit bestaande instellingen en bedrijven ligt het voor de hand dat de netwerk logica steeds verder zal doordringen in de doelstelling en werkwijze van de organisatie. Dit is wat men wel ‘de netwerkorganisatie’ noemt. Beslissingen en bedrijfsprocessen zijn niet alleen gedigitaliseerd maar ook verbonden, zowel naar binnen als naar buiten toe. Het probleem van deze aanpak is echter dat er vaak alleen gekeken wordt hoe medewerkers met de voortdurende druk tot ‘verandering’ omgaan. Tot voor kort werd het hype verhaal van de netwerkorganisatie vooral gezien als een management vraagstuk. Wat mij meer interesseert is hoe er vanuit netwerken zelf gedacht kan worden. Vanwege de voortdurende aanpassingen die gemaakt moeten worden, verliest men al snel uit het oog dat netwerken eigen wetmatigheden ontwikkelen. Netwerken hebben, los van de institutionele arrangementen, een autonoom leven dat welig tiert. Het organisatorische aspect van netwerken is iets waar weinig over bekend is. Dat is ook logisch want Internet research als academische discipline bestaat nog maar vijf jaar.

Samen met de Australische onderzoeker Ned Rossiter ben ik me recentelijk gaan bezighouden met de vraag wat ‘georganiseerde netwerken’ zijn en hoe die zich verhouden tot ‘netwerkorganisaties’. Dit is kritisch-empirisch, maar ook een speculatief onderzoek aangezien het hier ook over toekomstige modellen gaat. Hoe kunnen netwerken zich staande houden, vooral als ze al jaren bestaan en explosief doorgroeien? Eindigt ieder netwerk initiatief in een kantoor, hetzij als NGO danwel als bedrijf? Waar we in dit kader voor open moeten staan zijn problematische karaktereigenschappen zoals onzichtbaarheid en irrelevantie. Voor Paul Scheffer en andere opiniemakers doet het Internet niet terzake, en misschien is dat ook wel goed zo. Internetcultuur hoeft niet te bedelen om belangstelling en erkenning. Wat hedendaagse online netwerken kenmerkt is hun onafhankelijkheid en onverschilligheid, of zoals de Rotterdamse filosoof Henk Oosterling het noemt, hun ‘radicale middel-matigheid’. Kort samengevat: je zit niet ergens aan vast maar tussenin. Nieuwe media hebben geen essentie of waarheid, ze hebben niet een centrum maar leggen verbanden.

Als geen ander medium is het Internet ge•ntegreerd in het chaotische leven van alledag. In plaats van de harmonie en cohesie te bejubelen zoals in de jaren negentig gebeurde toen men het had over ‘virtuele gemeenschappen’, ben ik me de laatste jaren toe gaan leggen op het bestuderen van online conflicten. Hoe ontstaan online ruzies en waarom zijn mensen online zoveel feller dan in normale vergaderingen? Hoe moeten een Internetforum omgaan met aanvallers, zogenaamde trolls, die er enkel op uit zijn de dialoog te domineren? Vaak zijn netwerken met veel moeite opgebouwd. Ze zijn broos en kunnen met kwaadaardige bedoelingen binnen de kortste tijd gesloopt worden. Het valt nog te bezien in hoeverre passwords zulk gedrag kunnen voorkomen. Sommigen pleiten juist voor meer conflict en waarschuwen ervoor dat het Internet zich niet moet afsluiten in zogenaamde ‘vertrouwensnetwerken’ waar men alleen nog vrienden en bekenden tegenkomt. Het is kortom de vraag hoe een heterogeen netwerk van talen, culturen en belangen met het ene been in de maatschappij kan staan, met alle conflicten die daar spelen, en met het andere, eigenwijze been in een andere wereld kan stappen, die zelf moet worden vormgegeven. Ik pleit voor grensvervagend onderzoek en wil de ge•nstitutionaliseerde netkritiek dan ook niet zien als een nieuwe wetenschapsdiscipline. Het doel van een opleiding als Interactieve Media is niet om zichzelf overbodig te maken maar om de kritische en innovatieve kracht van technologie verder uit te diepen.

Ter afsluiting wil ik iets over de werkzaamheden van het lectoraat zeggen. Na mijn aankomst uit Australi‘, begin 2004, hebben we het lectoraat omgevormd tot een onderzoeksinstituut. Het in juni 2004 opgerichte Instituut voor Netwerkcultuur biedt onderdak aan onderzoek, bijeenkomsten en (online) initiatieven op het gebied van Internet en nieuwe media. Het instituut faciliteert niet alleen projecten, maar initieert en produceert deze ook. Er wordt hierbij gestreefd naar een open organisatievorm, met een sterk inhoudelijke focus, waarbinnen idee‘n (van zowel individuen als instellingen) al in een vroeg stadium een institutioneel kader kunnen krijgen. Het moge duidelijk zijn dat wij ons ophouden in het tussengebied van netwerken en organisaties. Naast een warme belangstelling voor alles wat te maken heeft met online kunst, design en activisme hebben we een aantal zwaartepunten voor 2004 en 2005 vastgesteld. Afgelopen maand vond onze eerste internationale conferentie plaats die terugblikte op tien jaar webdesign.  Tijdens de Incommunicado conferentie in juni zal worden gediscussieerd over de sterke groei van Internet en telecommunicatie programma’s binnen de ontwikkelingshulp en welke verwachtingen–en mythes–er bestaan rond het gebruik van computers en mobiele telefoons in ontwikkelingslanden. Na de zomer organiseert het instituut samen met Katrien Jacobs een conferentie over internet pornografie. Naast het voortdurende debat over censuur en culturele verschillen zal deze bijeenkomst aandacht besteden aan het werk van kunstenaars, de netporn als economische factor en de rol van amateurs die wezenlijk is veranderd met de komst van goedkope digitale camera’s en webcams. Naast deze onderzoeksgebieden houdt het lectoraat zich bezig met het vormgeven van het theorieprogramma van de opleiding Interactieve Media. Tevens loopt het gehele studiejaar een lezingencyclus over nieuwe media in Nederland waarin theoretici en mensen uit de beroepspraktijk aan het woord komen over de specifiek Nederlandse situatie. Dit alles genereert een stortvloed aan emails, weblog verhalen, wikis en wetenschappelijke publicaties waar wij U de komende jaren mee hopen lastig te vallen.